The funnies

Voor het geval iemand het zich zou afgevraagd hebben: ik ben gestopt met Facebook omdat Facebook zo verdomd traag is dat het verschrikkelijk op mijn zenuwen begon te werken. Wil je nooit meer op Facebook, neem dan een ellenlang, heel moeilijk te onthouden paswoord dat je op een papiertje schrijft, vervang je huidige paswoord op Facebook door dat lange paswoord, deactiveert je account en schrap dan dat paswoord met een zwarte stift en scheur dat papier in honderd snippers. Zo kan je nooit meer inloggen want je bent dat ellenlange paswoord toch direct vergeten. Zo heb ik het toch gedaan. ;-) Dit eventjes terzijde.

Ben

Ferd'nand

Herman

That's Life

Working Daze

"Dagbladverschijnsel" Nero is 60 jaar

De avonturen van Nero & Co is een stripreeks van de Vlaamse stripauteur Marc Sleen, die van 1947 tot 2002 praktisch onafgebroken in Vlaamse kranten verscheen. Bij het begin van de reeks was de centrale figuur Detective Van Zwam (een naam die door collega-journalist Gaston Durnez was bedacht). Nero was een bewoner van een krankzinnigengesticht die Van Zwam ontmoet in het eerste verhaal; zijn echte naam zou “Schoonpaard” zijn, maar hij waant zich de Romeinse keizer Nero, loopt rond in een tuniek en heeft een restantje van een lauwerkrans (een paar blaadjes “peterselie”) achter zijn oren. De figuur van Nero neemt later de centrale rol over en na negen verhalen wordt de reeks herdoopt in “De avonturen van Nero & Co”. De reeks liep aanvankelijk in de krant De Nieuwe Gids, en vanaf 1950 ook in Het Volk, dat De Nieuwe Gids had overgenomen.

In 1965 zorgde de overstap van Marc Sleen naar de krantengroep De Standaard/Het Nieuwsblad voor een grote rel tussen beide concurrerende katholieke dagbladuitgevers. Het eerste Nero-verhaal in De Standaard, “De Geschiedenis van Sleenovia”, werd uitzonderlijk niet getekend door Marc Sleen maar door “Wirel”, waarachter Willy Vandersteen en Karel Verschuere schuilgingen. Gaston Durnez zorgde voor het verhaaltje. Overigens zou veel later, in 1995, Het Volk op haar beurt overgenomen worden door de groep van De Standaard.

In 1992, te beginnen met het verhaal “Barbarijse Vijgen”, nam Dirk Stallaert het tekenwerk voor Nero over van Marc Sleen, die evenwel de reeks bleef bedenken. Eind 2002 tenslotte, besloot Marc Sleen, op zijn tachtigste, om met Nero te stoppen. “Zilveren tranen” was het laatste Nero-album. In dit verhaal smeden alle klassieke “slechteriken” uit de Nero-verhalen (Geeraard de Duivel, Matsuoka, Ricardo, Ratsjenko, Hela de Heks…) een grote samenzwering om Nero uit de weg te ruimen.

In 1991 werd er in Turnhout een standbeeld onthuld van de zoon van Nero, Adhemar. In Turnhout worden stripprijzen uitgereikt vernoemd naar Adhemar. In 1994 kreeg Nero zelf een standbeeld, meer bepaald in Hoeilaart voor het oude tramstation. Het is ook daar dat Nero woont in de laatste albums, Hoeilaart is trouwens ook de woonplaats van Marc Sleen . Ondertussen kreeg Nero ook al een standbeeld op de dijk in Middelkerke , waar ook tal van andere stripfiguren een standbeeld hebben.

Dramatis personae


  • Nero zelf: oer-Vlaamse, brave huisvader met de familienaam Heiremans van Pools-Brusselse afkomst (in het “echte” leven verdient hij zijn brood als “dagbladverschijnsel”), die houdt van het goede leven, een pintje bier en een zakje frieten en de krant lezen in zijn luie zetel terwijl moeder de vrouw het huishouden doet. Maar ook met een grote nieuwsgierigheid, zeker wanneer er geld te verdienen lijkt, wat hem in de meest fantastische avonturen doet verzeilen in alle hoeken van de wereld en soms ook erbuiten (“De Zwarte Voeten”). Doch kan hij ook altruïstisch zijn. In twee albums, “Het vredesoffensief van Nero” en “De pax apostel” zet hij zich in voor de wereldvrede. In de latere strips woont hij in het voormalig tramstation van Hoeilaart. “Lach voor je blij bent, want anders zou je wel eens kunnen sterven zonder te lachen”, is Nero zijn motto.

  • Madam Nero Haar echte naam is Bea. Houdt van theekransjes met Madam Pheip, hoedjes kopen en roddelen. Ze verstopt zich dan onder bergen kussens, om dan de laatste nieuwtjes te verkondingen over de telefoon.

  • Adhemar, Nero’s zoon: wordt geboren in het album “de zoon van Nero”. Blijft fysiek steken op het formaat van een kleuter, maar is van kindsbeen af geniaal. Doctoreert aan verschillende universiteiten en vindt de meest fantastische dingen uit, waaronder steeds meer gesofisticeerde raketten – de Adhemar I, II, enz. – die meestal slechts één verhaal meegaan.

  • Detective van Zwam: de oorspronkelijke held van de reeks. Briljant detective, kan een complete misdaad inclusief de levensloop van dader en slachtoffer reconstrueren aan de hand van een sigarettenpeukje. Verplaatst zich in een snelle Porsche (dezelfde auto waarmee de tekenaar Marc Sleen in het echte leven rondreed) en heeft steeds een vergrootglas bij de hand.
  • Madam Pheip: kordate dame, kettingrookster (rookt enkel pijp met “fleur de matras”, waarmee ze indien nodig een dicht rookgordijn kan optrekken). Wordt verliefd op, en trouwt even later met, de rijke Franstalige meneer Pheip. Is tot alles in staat als er iemand één haar durft uitsteken naar Petoetje of Petatje. Geen relatie van Nero.
  • Meneer Pheip: zijn echte naam is Philemon. Hij is een rijke, met een walrussnor uitgeruste, niet erg snuggere Nederlands-met-Frans-sprekende (ex-)burgemeester van Moerbeke-Waas (eigenlijk een karikatuur van de Moerbeekse burgemeester Lippens), pantoffelheld achter madam Pheip. Lijkt Belgisch patriot te zijn (zie “De pax apostel” waar hij zijn uiterste best doet om Belgische vlag op de bergtop te planten).
  • Petoetje: geadopteerde zoon van meneer en madam Pheip, in feite de zoon van het opperhoofd van het eiland Moea Papoea.
  • Petatje: geadopteerde dochter van meneer en madam Pheip (zie album “de ring van Petatje”)
  • Clo-Clo, de zoon van meneer en madam Pheip (in het album “De Clo-Clo Clan”). Net zoals Adhemar blijft hij eeuwig klein van gestalte maar heeft wel een even grote walrussnor als zijn vader.
  • Jan Spier: laatste afstammeling van Jan Breydel, uitbater van een frietkot waar Nero steeds terecht kan voor een gratis zak frieten en krachtpatser met een gouden hart die altijd bereid is om met Nero op avontuur te trekken.
  • Oscar Abraham Tuizentfloot: minuscule maffe opvliegende piraat, getooid met een piratenhoed-met-doodskop en steeds vervaarlijk zwaaiend met een versleten kromzwaard. Sleept meestal een minikanon achter zich aan om iedereen omver te blazen die hem een strobreed in de weg durft leggen. Zijn uitspraken zijn doorspekt met zijn stopwoord “aha!”.
  • Kapitein Oliepul: immer lichtelijk aangeschoten kapitein van de sleepboot “His Majesty Pull” waarmee hij de zeven wereldzeeën bevaart en Nero en Co. dikwijls uit hachelijke situaties op zee weet te redden.
  • Jef Pedal (ofwel:Jef met de Hamer) en zijn vrouw Isabelle: komen enkel in de vroege verhalen voor.
  • Bompanero: komt pas laat op de proppen, in de verhalen getekend door Dirk Stallaert (vanaf “Bompanero” in 1997). Krasse grijsaard die zich overal laat vergezellen door knappe jongedames.
  • het paard van Sinterklaas: in de dagen voorafgaand aan 6 december duikt traditiegetrouw het “paard” van Sinterklaas in de Nero-verhalen op, dat zowel figuurlijk (koppig) als letterlijk verdacht veel op een ezel lijkt.
  • Andere figuren die meermaals in de verhalen voorkomen zijn o.m. Geeraard de Duivel (compleet met geitenhoorntjes, -hoeven en -sik, en uiteraard verblijvend in het Gentse Duivelsteen); de Italiaanse boef Ricardo; de vlot gebekte sprekende Beo “de verschrikkelijke”; (in de latere verhalen) de Brusselse rondbuikige Agent 794, “Gaston pour les dames”; en, last but not least, Marc Sleen zelf die af en toe in zijn eigen verhalen opduikt: Nero aarzelt immers niet om, als de loop van het verhaal hem niet bevalt, naar zijn tekenaar te stappen om zijn beklag te doen! In heel wat verhalen zijn er ook gastrollen weggelegd voor personen die op het moment van dat verhaal bekend waren en in de actualiteit stonden (onder andere politici zoals Mobutu, Margaret Thatcher, Jean-Luc Dehaene , Guy Verhofstadt, …

Marc Sleen, pseudoniem van Marcel Honoree Nestor ridder Neels (Gentbrugge, 30 december 1922) is een Vlaamse striptekenaar, vooral bekend omwille van zijn stripreeks De avonturen van Nero & Co.
Marc Sleen werd geboren als Marcel Neels in Gentbrugge, maar verhuisde drie maanden later naar Sint-Niklaas. Zijn ouders waren filiaalhouders in een soort café met vergaderzaal en centrum van de SMOB (Samenwerkende Maatschappij Openbaar Bestuur). Zijn vader herstelde als hobby horloges. Marc Sleen groeide op in een welgesteld gezin en had drie oudere broers. Zijn vader was een humoristisch man die vaak bizarre verhaaltjes voor het slapengaan voor hem verzon. Marc Sleen zou later aanduiden dat hij veel van hem had geleerd. Zijn moeder was dan weer streng katholiek. Toen Marc Sleen vijf was werd hij in een nonnenpensionaat gestopt. Hij was er zo ongelukkig dat hij er op zijn zeven van ellende geelzucht kreeg, waarop zijn ouders hem er weer weghaalden. Als jongen las hij ook veel: Jules Verne, Karl May, Sherlock Holmes, Dik Trom, Pietje Bell, etc. maar ook strips als The Katzenjammer Kids, Zig et Puce, Popeye en Mickey Mouse.
Marc Sleen hield ook van jongsaf al van dieren. Hij had veel huisdieren, tekende graag beesten na, verzamelde er prentjes van en kon urenlang in de zoo naar ze staan kijken. Net als Hergé en Willy Vandersteen kwam ook Marc Sleen bij de scouts terecht, waar hij verantwoordelijkheid en allerlei andere zaken, die hem later tijdens zijn safari’s van pas zouden komen, leerde. Marc Sleen was al van jongsaf aan een tekenaar en krabbelde alles vol; tot zelfs de muren en zijn vader’s bolhoed toe. Toen Marc Sleen veertien was, volgde hij zondagse tekenlessen aan de Academie van Sint-Niklaas. Kunstenaars die hij daar levenslang leerde bewonderen waren Pieter Breughel de Oude, Hieronymus Bosch, Sandro Botticelli, Giotto, Gustaaf De Smet, Rik Wouters, James Ensor, Henri Evenepoel, Karel van de Woestijne, Henri Matisse, Henri de Toulouse-Lautrec, Paul Cézanne en Jules De Bruycker. In 1938 verhuisde het gezin weer terug naar Gentbrugge. Marc Sleen’s vader overleed een jaar later en hierdoor werd het moeilijk voor het gezin om het hoofd boven water te houden. Zijn moeder moest zondags werken en Marc Sleen’s tekenstudie werd steeds moeilijker om financiëel te onderhouden. De pas uitgebroken Tweede Wereldoorlog maakte de zaken er ook niet makkelijker op.

Toen de nazi’s België binnenvielen, vluchtte Marc Sleen samen met de scoutsgroep waar hij toen lid van was naar Limoges, waar hij werk vond op een boerderij. In 1943 diende hij uit geldgebrek te kiezen: studeren of in Duitsland gaan werken. Via zijn broer kwam hij in het Arbeidsambt terecht. Alhoewel dit aan collaboratie doet denken, deed Marc Sleen er amper administratief werk. In plaats daarvan tekende hij er de muren vol, deed boodschappen en moest brieven bezorgen aan mensen die in Duitsland moesten komen werken. Marc Sleen keilde die brieven echter de Leie in. Gelukkig voor hem wist zijn broer ervoor te zorgen dat deze daad hem zijn kop niet kostte. Eén van Marc Sleen’s broers zat overigens in het actieve verzet tegen de bezetters en zat ondergedoken in een kasteel in Ertvelde.

In 1944 viel de Sicherheitspolizei bij Marc Sleen binnen op zoek naar zijn broer. Omdat ze niemand vonden, werden de 18-jarige marc Sleen en zijn broer, Nestor, als gijzelaars gearresteerd. Sleen werd naar het Miljoenenkwartier gebracht waar tijdens zijn ondervraging zijn tanden er zowat werden uitgeslagen. Omdat ze niets loslieten werden ze naar “De Nieuwe Gevangenis” in Gent gebracht, waar dagelijks tien tot twintig gevangenen werden geëxecuteerd. Op zeker ogenblik zat Marc Sleen alleen in de cel, maar hij werd samen met zijn broer Nestor uit de gevangenis gehaald en per vrachtwagen naar Leopoldsburg gebracht. Daar sloegen de Vlaamse SS’ers op de vlucht omdat de Britten en Canadezen dichterbij kwamen. Marc Sleen werd bij een bakker in het dorp opgenomen. Omdat de Duitsers nog een aantal maal trachtten terrein terug te winnen, duurde het even voor hij weer naar huis kon. Zelfs jaren later had Marc Sleen nog nachtmerries over deze periode.

Datzelfde jaar, in 1944, begon Marc Sleen als cartoonist bij de katholieke krant De Standaard te werken waar ook mensen als Gaston Durnez en Marnix Gijsen actief waren. Deze krant werd na de oorlog De Nieuwe Standaard en in 1946 De Nieuwe Gids. Behalve cartoons maakte Sleen ook illustraties bij artikels, zoals landkaarten en procestekeningen. Hij tekende toen in Ons Volk de stripreeks: De Avonturen van Neus. In 1945 volgden De Avonturen van Piet Fluwijn en Bolleke en een jaar daarna Stropke en Flopke, Tom en Tony en Pollopof.

Marc Sleen ging vooral strips maken omwille van het succes van Willy Vandersteen’s stripreeks in De Nieuwe Standaard, Suske en Wiske. Alle kranten boden Vandersteen geld om bij hen te komen werken en Sleen zag in dat strips maken beter zou verdienen dan alleen maar karikaturen tekenen. Als pseudoniem draaide hij gewoon zijn achternaam, Neels, om.

In 1945 huwde hij met zijn eerste jeugdliefde maar het koppel zou kinderloos blijven. De arts die de geboorte van hun eerste kind in 1952 regelde, voerde een keizersnede uit en moest kiezen tussen het leven van het kind of de moeder. Later werd die arts door de Orde Der Geneesheren geschrapt wegens andere mislukkingen. Marc Sleen zou altijd over deze gebeurtenis spreken als “de zwaarste slag in zijn leven, veel zwaarder dan gevangen zitten in de oorlog of wat dan ook”.

Van 1947 tot 1965 tekende Marc Sleen ook elk jaar het verslag van de Ronde van Frankrijk.

Het Volk gaf vanaf 1950 een kinderbijlage uit: ‘t Kapoentje, waarvoor Marc Sleen de titel had bedacht en de hoofdredactie op zich nam. Hier ontstonden De Lustige Kapoentjes, een reeks die ook zeer populaire werd. Voor De Middenstand tekende hij Doris Dobbel en in 1952 voor Ons Zondagsblad Octaaf Keunink.

Naast de Nero-verhalen tekende hij nog een heleboel andere reeksen, onder meer:

Piet Fluwijn 24-12-1944 tot 07-01-1945
De avonturen van Neus 24-12-1944 tot 22-04-1945
Tom en Tony 10-06-1945 tot 24-10-1946
Piet Fluwijn en Bolleke 27-12-1945 tot 14-04-1965
Pollopof 13-01-1946 tot 12-10-1952
Stropke en Flopke 24-10-1946 tot 08-06-1950
De lustige Kapoentjes 09-02-1950 tot 14-04-1965
Doris Dobbel 08-04-1950 tot 04-02-1967
Joke Poke 06-05-1950 tot 21-06-1951
Stropke 22-07-1950 tot 27-12-1952
Fonske april 1951 tot oktober 1960
Octaaf Keunink 16-11-1952 tot 04-04-1965

In 1965 stapte Marc Sleen over naar De Standaard, de krant waarin ook Suske en Wiske liep. Marc Sleen mocht echter wel drie maanden lang na zijn laatste Neroverhaal in Het Volk geen nieuwe strip publiceren. De nieuwe directie kwam daarom met De Geschiedenis van Nero en Co op de proppen, een uit knipsels uit oude Nero-strips bestaand stripverhaal getekend door mensen bij Studio Vandersteen. Na een drietal dagen werden de figuren in het verhaal echter grondig hertekend om minder op Nero’s personages te lijken en kreeg Nero een zwarte kap over zijn hoofd. Zijn naam werd bovendien vervangen door drie puntjes. Het Volk was immers naar de rechter gestapt en had de gerechtelijke politie op de strip afgestuurd wegens inbreuk op het auteursrecht. Af en toe was Nero’s naam daarna terug zichtbaar, al bleef zijn hoofd nog vaak verborgen achter allerlei vlaggen en meeuwen. Tenslotte verscheen Nero terug in zijn oorspronkelijke gestalte en werd de naam van de strip veranderd in De Geschiedenis van Sleenovia. Het Volk beweerde het eigendomsrecht te bezitten over alle figuren die Nero in hun krant had getekend en werd door de rechtbank in het gelijk gesteld. Toch hadden enkele katholieke figuren ervoor gezorgd dat de zaak in de minne werd geregeld. Marc Sleen bleef in het bezit van zijn figuren, maar diende “‘t Kapoentje” aan Het Volk over te laten.

Vanaf 1965 tekende Marc Sleen opnieuw zelf Nero. Hij liet al zijn overige reeksen vallen en concentreerde zich enkel nog op deze strip die vanaf dat ogenblik ook in kleurenalbums verscheen.

In 1962 vertrok Marc Sleen op de eerste van vele safari’s in Afrika. In de jaren ’70 zou hij er dierenreportages maken voor de BRT, waaronder 21 films van Allemaal Beestjes. Zelfs in zijn strips bezochten zijn figuren meer en meer het continent en het werd een running gag in “Nero” dat wanneer zijn figuren Sleen belden of thuis kwamen opzoeken hij altijd “op safari” bleek te zijn. Ook Merho maakte in zijn strip Kiekeboe in het album “Album 26″ hier een grap over door Kiekeboe en hemzelf naar een stripinstituut te laten gaan, waarvan de directeur, “meneer Neels”, op safari blijkt te zijn.

Marc Sleen’s liefde voor dieren zorgde er ook voor dat hij in Nero reclame maakte voor Het Wereldnatuurfonds en de dierenwereld in het algemeen. Hij is sinds 1984 ook benoemd tot beheerder van deze organisatie, afdeling België. Ontelbare albums hebben dieren als onderwerp. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zijn wapenschild drie olifanten in het embleem bezit.

In 1977 werd Marc Sleen voorzitter van het comité dat de Bronzen Adhemar uitreikt, vernoemd naar de geniale zoon van Nero, Adhemar. Deze prijs wordt tweejaarlijks uitgereikt aan beloftevol jong Vlaams striptalent. In 1991 kreeg Adhemar een levensgroot standbeeld in Turnhout, de stad waar de prijzen steevast worden uitgedeeld. Sleen zelf werd in 1993 bekroond met een Gouden Adhemar voor zijn ganse carrière.

In 1992, na gedurende 45 jaar Nero helemaal alleen te hebben gemaakt (waarvoor hij een vermelding kreeg in het Guinness Wereldrecordboek), nam hij tekenaar Dirk Stallaert in dienst die vanaf het album “Barbarijse vijgen” de verhalen die Marc Sleen bedacht, zou tekenen. Sleen’s productiviteit van 1944 tot 2002 is zelfs nog opmerkelijker als men in overweging neemt dat hij van 1944 tot 1965 ook nog tientallen andere reeksen had lopen zonder hulp van andere tekenaars of scenaristen in te roepen. Later zou hij de wallen onder zijn ogen aanduiden als bewijs van hoe hard hij wel niet aan zijn strips gewerkt heeft overheen de jaren.

In 1994 kreeg Nero een standbeeld in Hoeilaart, vlak voor Marc Sleen’s huis, dat in de reeks al sinds het album “De verschrikkelijke tweeling” ook Nero’s huis is.

In 1997 werd Marc Sleen door Albert II tot Ridder benoemd.

In 2002, besloot Marc Sleen, nu hij 80 was een punt te zetten achter de reeks. Het laatste album was “Zilveren tranen”. Marc Sleen wenste niet dat iemand anders de reeks zou verderzetten.

Hij ontving in 2002 uit handen van het Vlaamse Onafhankelijke Stripgilde de Stripvos, een prijs voor personen of instellingen die met hun activiteiten van grote betekenis zijn of zijn geweest voor de Vlaamse stripwereld.

In 2005 werd Marc Sleen genomineerd als één van de 111 kansmakers op de titel “De Grootste Belg” in de Vlaamse versie van de wedstrijd. Hij eindigde op nr. 48.

Marc Sleen’s strips zijn door generaties Vlaamse kinderen en volwassenen gelezen. In vergelijking met veel andere strips die in dit taalgebied zijn uitgegeven had zijn werk altijd iets kolderachtigs, ironisch en anarchistisch. Zijn manier van strips tekenen was tot de komst van Stallaert zeer uniek: amper close-ups of blow ups, geen overschrijding van de kaders, geen gebruik van vogel- of een ander perspectief, … Dit had vooral met de snelheid te maken waarmee Marc Sleen zijn strips diende te tekenen en weinig tijd liet voor zulke zaken. Om die reden zitten zijn verhalen ook vol met continuïteitsfouten. (auto’s met plotseling drie ipv. vier wielen, mensen die plots anders gekleed gaan, …). In tegenstelling tot andere strips wordt dit bij Marc Sleen echter geduld.

Nero is ook één van de weinige Vlaamse strips die vanwege o.m. de politieke knipoogjes ook door volwassenen gesmaakt worden. Men kan in zijn werk een hele evolutie en geschiedenis nagaan van naoorlogs Vlaanderen over een periode van 60 jaar. In de beginjaren werd zijn politieke visie nog sterk ingegeven door de katholieke inslag van de kranten waarvoor hij werkte. Communisten en socialisten werden toen meestal als slechteriken of duivels voorgesteld. In “De Hoed van Geeraard De Duivel” (1950) scheert de Duivel bijvoorbeeld zijn sik af en lijkt hij sterk op de socialistische politicus Camille Huysmans. Een dikke handlanger is een karikatuur van socialistisch politicus Paul-Henri Spaak. Marc Sleen zou later een meer neutrale politieke houding aannemen en spijt krijgen van zijn vaak fanatieke katholieke houding in die jaren. Het gebruik van actuele gebeurtenissen in zijn strips was iets dat Vandersteen in zijn beginjaren ook met Suske en Wiske deed. Anders dan Marc Sleen zag Vandersteen na een tijd in dat dit gegeven wel goed werkte in de krant, maar niet wanneer de verhalen uiteindelijk in albumvorm verschenen. Hierom hield hij er na een tijd stilaan mee op. Sleen kon het knipogen naar de actualiteit en het laten opdraven van karikaturen echter nooit laten. In die zin is Nero nog steeds uniek in de annalen van de Vlaamse strip. Geen enkele andere stripfiguur bezocht bijvoorbeeld Jozef Stalin zoals Nero in “Het Vredesoffensief” deed. In de reeks doken de afgelopen decennia politieke figuren op als Jozef Stalin, Idi Amin Dada, Khomeini, Bill Clinton, Boris Jeltsin, Gamal Abdel Nasser, Willy De Clercq, Helmut Kohl, Boudewijn, Margaret Thatcher, Mobutu, Saddam Hoessein, Jean-Luc Dehaene, Hirohito, Jean Gol, Guy Verhofstadt, Elizabeth II en Harry Truman op, maar ook karikaturen van bekende mediafiguren als The Beatles, Pablo Escobar, Urbanus, Jean-Pierre Van Rossem, Paul Newman, Frank Zappa en ook Sleen zelf.

In vergelijking met andere tekenaars heeft Marc Sleen zijn strips nooit laten gebruiken voor merchandising of andere commercialiseringen. Dat leidde er ook toe dat zijn werk nooit een internationale carrière heeft gekend.

Nero is in zekere zin zelfs nog Vlaamser, volkser en gezelliger dan Suske en Wiske. Samen met deze laatstgenoemde strip behoort Nero tot het Vlaamse culturele erfgoed.


Trivia


  • Koning Boudewijn was een fan van Nero
  • Marc Sleen heeft een gastrol in Bakelandt en als Jan Borluut de Gentenaar in het Rode Ridderalbum De Leeuw van Vlaanderen door Karel Biddeloo.
  • In de Urbanusstrips zijn er ontelbare verwijzingen naar Marc Sleen en zijn strips terug te vinden. In het album “Urbanus op Uranus” zoekt Urbanus een raket om naar de planeet Uranus te vliegen. Hij besluit aan te bellen bij Marc Sleen. Nero doet open en Urbanus wordt bij de tekenaar binnengelaten. Wanneer Adhemar echter met zijn raket door het dak neerstort, verandert Urbanus van idee. In “De tenor van Tollembeek” wordt Urbanus een tenor. Om op zijn populariteit in te spelen schakelt zijn manager een striptekenaar in: Willy Lintworm, een parodie op Willy Linthout. Hij wordt opgedragen albums rond Urbanus te tekenen. Omdat hij echter niet genoeg inspiratie heeft besluit hij verschillende Nero-albums over te tekenen want “Marc Sleen zal daar wel niks van zeggen.”
  • De eerste strip van Willy Linthout was overigens een parodie op Nero, genaamd “De Zeven van Zeveneken”. Urbanus is op zijn beurt goed bevriend met Marc Sleen en zong in 2002 een ode aan de man, verkleed als Bolleke.
  • Omdat een Masaidokter Marc Sleen tijdens één van zijn safari’s voorspeld had dat hij in 1991 in Afrika door een kudde olifanten vertrappeld zou worden ging Marc Sleen dat jaar niet op safari.
  • Marc Sleen is één van de striptekenaars die een eigen tentoonstellingsruimte heeft in het Belgisch stripmuseum. Hij is ook één van de beheerders ervan.
  • Hij is ereburger van maar liefst drie gemeentes: Hulshout (1981), Sint Niklaas (1984) en de gemeente Sleen in Nederland.
  • De traditionele wafelenbak, die voor het eerst plaatsvond in het album “De Juweleneter”, maar pas vanaf “Het Groene Vuur” (1965) aan het einde van elk Neroverhaal gehouden wordt, werd even typisch voor het einde van elk Neroverhaal als Lucky Luke die “I’m a poor lonesome cowboy” zingt of Wiske’s knipoog. In het Kiekeboealbum De Zwarte Zonnekoning merkt Konstantinopel op het einde van het verhaal op dat wanneer er bij het buffet ook wafels aanwezig waren het op een Neroalbum zou lijken.
  • Aan het einde van het Suske en Wiske-album “De Krimson Crisis” worden Suske, Wiske, Lambik, Jerom en Tante Sidonia uitgenodigd voor een wafelbak bij Nero.
  • Het Neroalbum Het Rattenkasteel werd tot een opera bewerkt door Arne Sierens (regie), Vincent D’ Hondt (dirigent) en Johan De Smet (componist).
  • Nero, het hondje van Carmen Waterslaeghers in de Vlaamse televisiereeks FC De Kampioenen is vernoemd naar Nero. In de aflevering waarin ze een naam voor hem zoekt valt haar oog op een krantenpagina met de avonturen van Nero en zo kreeg het dier zijn naam.

Jijé

Jijé, echte naam Joseph Gillain (Gedinne, 13 januari 1914 – Versailles, 19 juni 1980) was een Belgisch striptekenaar. Hij was de inspirator en drijvende kracht van een volgende generatie van striptekenaars als Franquin, Morris, Will en Paape. Al op jeugdige leeftijd volgde hij beeldhouwlessen en gedurende drie jaar leerde hij kunstambachten bij de monniken in de abdij van Maredsous. Hij was een uitblinker in alles wat hij aanpakte. Een fantastische schilder, een geboren beeldhouwer, maar ook een prima pottenbakker en goudsmid. Op de Universiteit in Charleroi maakte hij kennis met de methode van de schilder Van Den Houte. Deze bestond eruit te tekenen zonder naar het blad te kijken. Dit kon Jijé: in een paar seconden had hij een schets of karikatuur van iemand op papier, verbluffend echt en zonder maar één blik op het papier te hebben geworpen. Vervolgens bezoekt hij de avondcursussen aan de kunstacademie van Brussel en overdag de kunstnijverheidsschool. Daarna vervult hij zijn militaire dienstplicht in de Luikse kazerne Fonck.

Het eerste stripverhaal dat Jijé maakte was in 1936. De held van het verhaal ‘Jojo’ beleefde gedurende 3 jaar zijn avonturen in het weekblad ‘LeCroise’. Vanaf 1939 tekende hij in een ander katholiek weekblad ‘Petit Belges’ zijn beroemd geworden figuren ‘Blondie en Blinkie’, al verschenen die eerst onder de namen ‘Wietje en Krol’. Deze 3 verhalen, ‘Wietje en Krol in Amerika’, ‘Wietje en Krol in strijd met de gangsters’ en ‘Jonge Vleugels’ zijn in 1946 in boekvorm verschenen. Goede exemplaren zijn zeer schaars en bijna onbetaalbaar.
Sinds 1939 werkte Gillain mee aan het pas opgerichte weekblad Robbedoes waarvoor hij een nieuwe held bedacht. Het werd ‘Freddy Fred en de Hindoesleutel’. Verder publiceerde hij in dat jaar ‘Theo en Thea in de Himalaya’ en vervolgens ‘Bloed op de sneeuw’. Dit verhaal bleef echter onvoltooid en zou later dienen als basis voor ‘Kamiliola’, een avontuur van Blondie en Blinkie.
Intussen was op 10 mei 1940 in België de oorlog uitgebroken, waardoor het werk in de uitgeverij enkele maanden stil kwam te liggen. Voor Jijé werd het echter geen rustige tijd. De eerste tekenaar van Robbedoes, Rob Velter, zat in Frankrijk en had geen contact meer met de redactie. Gillain moest toen ook maar de avonturen van Robbedoes maken. Dit deed hij tot in 1946.
Terwijl hij al de artistieke opleiding verzorgt van de jonge Willy Maltaite, de latere Will, wordt hij na de Bevrijding adviseur van de gebroeders Dupuis en katalysator van een team nieuwe, talentvolle tekenaars: André Franquin, Maurice De Bevere, alias Morris, Eddy Paape en Victor Hubinon. Deze kunstenaars van uiteenlopende herkomst, uiteindelijk nog aangevuld met Pierre Culliford, alias Peyo, en Jean Roba, zullen de “school van Marcinelle” vormen, naar de vestigingsplaats van de uitgevers en als tegenhanger van de “Brusselse School” van Hergé en zijn discipelen van het blad Kuifje. Tegenover de soberheid en het realisme van de laatste kenmerkt de school van Marcinelle zich door een sterk individuele stijl, soepele lijnvoering, en meer ruimte voor humor en fantasie.
Van zijn hand verschenen in 1941 de biografie ‘Don Bosco’ en in 1942 ‘Jan Kordaat’. Ten gevolge van de oorlog kwam de aanvoer van stripverhalen uit Amerika stil te liggen. Jijé loste dit op. Hij maakte het verhaal van Red Ryder af en tekende bladzijden van Superman.
Er zijn weken geweest waarin Gillain meer dan 10 bladzijden voltekende, zowel met humoristische als met realistische strips. Na ‘Don Bosco’ kwam er een biografie van ‘Christoffel Columbus’. Hij werkte eraan van eind 1942 tot augustus 1945. Later kwam ook nog ‘Emmanuel’ erbij. Dit gaf hem zo veel werk dat hij Robbedoes aan Franquin doorgaf.
Na de bevrijding, voor België in september 1944, werd Jijé zoals gezegd, de leermeester en de drijvende kracht achter een stel jonge tekenaars bij Charles Dupuis, uitgever van het jeugdblad Robbedoes. De invloed van Gillain op deze nieuwe garde, die hij opnam in zijn huis in Westerlo, was enorm. Morris creëerde er ‘Lucky Luke’, Franquin nam ‘Robbedoes’ definitief over, ‘Jan Kordaat’ kwam in handen van Eddy Paape en Will ging verder met ‘Baard en Kale’. Hubinon maakte een verhaal met ‘Blondie en Blinkie’. In 1948 besloten Gillain, Franquin en Morris naar “het Mekka van het tekenverhaal”, dus Amerika, te emigreren. Ze kregen problemen met verblijfsvergunningen en bleven een half jaar in Mexico. Het werk voor Robbedoes ging ‘gewoon’ door en werd over de post verzonden. Baden Powell werd door Jijé geheel in Mexico getekend. Tevergeefs werd aangeklopt bij de Disney studio’s. In 1950 kwamen ze terug naar Europa. Jijé begon meteen aan een avontuur van ‘Blondie en Blinkie’ en nieuwe avonturen van ‘Jean Valhardi’.
Jijés werk, van een wonderbaarlijke grafische rijkdom en met sterk humanistische inslag, beïnvloedt heel wat jonge artiesten: Jean Giraud alias Gir, Derib, Hermann, etc. Hoewel schrijver én tekenaar, doet Jijé soms een beroep op scenaristen als Maurice Rosy, René Goscinny, Jean Acquaviva, Daniel Dubois, Jacques Lob en vooral zijn zoon Philippe, alias Philip.
In het midden van de jaren ’60 nam hij het tekenwerk van ‘Tanguy en Laverdure’ over van Albert Uderzo en Roodbaardvan Victor Hubinon. De creatie van ‘Jerry Spring’ met zijn Mexicaanse metgezel Pancho bleek zijn belangrijkste te zijn. Hij liet het tweetal in 23 jaar 25 avonturen beleven. Over de uitzonderlijke kwaliteit van deze verhalen zal ik niet uitwijden evenmin over de invloed van van Victor Hubinon. In 1954 begon Jijé op verzoek van zijn uitgever aan een realistische western. De creatie van Jerry Spring met zijn mexicaanse metgezel Pancho. Over de uitzonderlijke kwaliteit van deze verhalen zal ik niet uitwijden, evenmin als de invloed op één van zijn leerlingen, de tekenaar van onder meer Luitenant Blueberry, Jean Giraud aka Moebius.
In de marge van dit indrukwekkende oeuvre (meer dan zeventig verhalen in veertig jaar), wijdt de “vader van het Belgische beeldverhaal” zich in zijn vrije tijd aan schilderen en beeldhouwen en komt hij tot praktische en verrassende uitvindingen die echter geen toepassing vonden. “Tout Jijé”, de integrale chronologische uitgave van zijn werk bij Dupuis, is nog steeds niet afgerond.
Jijé overleed op 66-jarige leeftijd na een slepende ziekte.

Asterix en Obelix

Asterix is de hoofdpersoon van een serie stripverhalen gemaakt door de Franse tekenaar Albert Uderzo en scenarioschrijver René Goscinny, die elkaar in Brussel leerden kennen.

De strips verhalen van een dorpje in Gallië (Bretagne), dat er in is geslaagd om de invasie door de Romeinen onder aanvoering van Julius Caesar te weerstaan met behulp van een toverdrank die de Galliërs oersterk en daardoor onoverwinnelijk maakt.

Het origineel van het eerste verhaal, Astérix le Gaulois (Asterix, de Galliër) , werd gepubliceerd op 29 oktober 1959 in het Franse stripblad Pilote. Het gelijknamige album kwam uit in 1961, in een oplage van 6000 exemplaren. Daarna volgden er nog vele.

In Nederland werden de verhalen gepubliceerd in het stripweekblad Pep. Naast de originele taal, Frans, werden de albums vertaald naar vele andere talen en dialecten waaronder Nederlands, Fries, Limburgs, Twents en het Latijn. Vanaf 2002 verschijnen de Nederlandse albums in een nieuwe vertaling, waarin een aantal eerder onvertaalde Franse namen alsnog een Nederlandstalige versie kregen. De strips werden uitgebracht in meer dan 70 landen (waaronder China, Groenland, India, Rusland en Vietnam).

Na het overlijden van Goscinny in 1977 ging Uderzo alleen door met het uitbrengen van nieuwe verhalen. Uit respect wordt de naam van Goscinny hier nog steeds op vermeld. Het laatste album met Goscinny, ‘Asterix en de Belgen’, verscheen in 1979, twee jaar na zijn dood.

Het succes van de verhalen is terug te voeren op een aantal zaken: de hilarische gevechten met de Romeinen, terugkerende elementen (running gags) zoals de piraten, anachronismen waarbij hedendaagse personen en situaties in de Oudheid worden geplaatst en de vele woordgrappen. Vooral deze laatste zijn ook in de vertaling overgenomen hoewel het origineel erg op Frankrijk is georiënteerd.

Er zijn wel enkele historische onjuistheden terug te vinden in de strips, zoals de kleding van de soldaten die niet overeenstemt met de tijd waarin Caesar leefde, maar met de keizertijd.


Belangrijke personages

  • Asterix, de hoofdfiguur, klein maar slim. De naam van Asterix komt van het teken *, de asterisk.
  • Obelix, dit is de menhirhouwer uit het dorp. Hij is Asterix’ beste vriend. Als kind viel hij per ongeluk in een ketel met toverdrank waardoor hij erg sterk is geworden. Om eventuele bijwerkingen te vermijden, verbiedt Panoramix hem toverdrank, iets wat Obelix niet begrijpt. De naam Obelix komt van het Franse woord Obèle – het kruisvormige leesteken †. Ze heten dus eigenlijk kruis en ster. Obelix verwijst tevens naar obelisk. Een bekende uitspraak van Obelix is: Rare jongens die… (Ils sont fous, ces …) waarna een nationaliteit volgt (deze uitspraak is zo bekend dat hij in het woordenboek van Van Dale staat).
  • Idefix, het hondje van Obelix (van het Franse idée fixe). Is altijd zeer verdrietig wanneer er een boom ontworteld wordt.
  • Panoramix, de druïde, van belang omdat hij de enige is die de toverdrank kan brouwen. Daarnaast kent hij ook veel andere recepten. Hij is eigenlijk de verstandigste in het dorp en de enige die nimmer meedoet aan scheld- en vechtpartijen. Saai is hij echter niet – hij kan best lachen om een goede grap. En hij heeft er geen bezwaar tegen dat de dorpsgenoten de Romeinen afranselen.
  • Heroïx, de hoofdman van het dorp. In het Frans en in de oorspronkelijke Nederlandse vertalingen heet hij Abraracourcix. Dit is een woordspeling: à bras raccourcis betekent letterlijk met verkorte armen maar figuurlijk altijd klaar om erop te slaan. Hoewel Heroïx meestal de beslissingen neemt, wordt Panoramix gezien als de wijze man van het dorp.
  • Kakofonix, de bard van het dorp, wiens gezang echter door de rest van de dorpelingen niet gewaardeerd wordt. In ‘Asterix in Indus land’ begint het spontaan te regenen als hij zingt. Daarmee wordt hij de held van een volk waarbij de moesson niet wil vallen. Als zijn stamgenoten hem de mond snoeren, is hij beledigd. Stelletje barbaren is dan ook een uitspraak die steevast terugkomt. In het Frans en in de oorspronkelijke Nederlandse vertalingen heet hij Assurancetourix. Die naam is een Franse woordspeling: Assurance à tous risques hetgeen letterlijk betekent verzekering tegen alle risico’s (in Nederland wordt dat meestal “allrisk-verzekering” genoemd), en dat figuurlijk wil zeggen dat hij degene is die overal voor moet boeten (net als die verzekering altijd alles betaalt). Kakofonix is in sommige albums ook leraar. In de jaren ’50 van de vorige eeuw waren veel Franse leraren na hun uren ook verzekeringsagent. Klassiek was bij de Galliërs een bard ook een boodschapper tussen de goden en de mensen. Het gebrek aan respect dat de Galliërs hebben voor Kakofonix, is dus luchtig op te nemen.
  • Julius Caesar, de Romeinse dictator die het niet kan verkroppen dat hij niet heel Gallië kan veroveren. In verscheidene delen is hij getrouwd met Cleopatra. Vaak is hij de vijand van de Galliërs, soms behandeld hij hen als vrienden.

Andere personages

  • Kostunrix, de visboer van het dorp. In het Frans heet hij Ordralfabétix (alfabetische volgorde). Er is in Nederland eens een parodie uitgegeven waarin hij Vistix heet. Zijn vissen zijn (vanaf De Ziener) altijd bedorven, en deze zijn dan ook altijd weer dé aanleiding om een dorpsruzie te laten uitbarsten. Zelf is hij rond en dik, hij heeft een vrouw (Forentientje, in de Franse edities Ielosubmarine naar het nummer Yellow Submarine van de Beatles) en een zoontje.
  • Hoefnix, hij is de smid. In het Frans heet hij Cétautomatix, en in oudere Nederlandse veries van het eerste deel komt hij onder deze naam even voor. Hij is het die vooral de ruzies uitlokt met Kostunrix, door opmerkingen over de vis te maken. Ook is het zijn taak Assurancetourix van het zingen af te houden. Meestal doet hij dat door hem een subtiele dreun te geven met zijn smidshamer. Meestal wordt Assurancetourix dan tot zijn middel in de grond geslagen.
  • Nestorix, hij is de oudste en waarschijnlijk ook de hitsigste van het dorp. In het Frans heet hij Agecanonix. Hij is getrouwd met een jonge bloedmooie vrouw (die minstens 4 koppen groter is dan hijzelf) en die hem zwaar onder de pantoffel heeft. Hij loopt met een kruk maar hij kan ook rennen als een kievit. Daarnaast heeft hij altijd een uitgesproken mening. Thuis zit hij meestal aan de afwas. Hij kan het niet verkroppen dat mensen hem te oud vinden voor dingen. In verschillende delen gedraagt hij zich als een jongen van 17. Als de inwoners van het dorpje het alweer niet eens kunnen worden over een beslissing, vragen ze aan Nestorix om te beslissen.
  • Bellefleur, zij is de vrouw van Heroïx. In het Frans heet ze Bonemine, een verbastering van ‘bonne mine’, goedgehumeurd. Ze is altijd bezig met het huishouden, en zo niet dan is ze aan het roddelen met de andere vrouwen uit het dorp. Altijd als het misloopt zit ze te klagen dat ze liever in Lutetia (Parijs) zou wonen, net als haar broer. Ze klaagt ook vaak over haar man, dat hij een voorbeeld moet nemen aan haar broer. Die is tenminste geslaagd in het leven. Ze noemt Heroïx ‘m’n zwijntje’.
  • De Piraten, een groep zeerovers die Asterix en Obelix steeds weer tegenkomen, een parodie op de strip Roodbaard. Bestaande uit: Roodbaard (de kapitein), Triplix (hulpje), Erix (zoon van Roodbaard), Baba (voormalig slaaf die nu het kraaiennest bemant en die de R niet kan uitspreken, B”””””, het wate’ is koud) en nog een heel ander stel bijfiguren. Als de Galliërs een zeereis maken (en zelfs als ze even oversteken naar een eilandje in de buurt) komen ze steevast de piraten tegen, en steeds heeft dat tot gevolg dat het piratenschip ten onder gaat. Alleen in ‘De koperen ketel’ komen de piraten ongeschonden (en zelfs rijker) uit de strijd. En tijdens de reis van Nicae naar Massilia (per roeiboot) in ‘De ronde van Gallië’ komen de piraten bij uitzondering niet ter sprake.
  • Walhalla (betekenis: hemel), zij is zogezegd de mooiste vrouw uit de strip. In het Frans heet ze Falbala. Ze komt van oorsprong uit het dorp en is later in Condatum gaan studeren. Obelix – en later ook Asterix – hebben een oogje op haar, hoewel ze tijdens een verhaal trouwt met Tragicomix. Met hem woont ze in Condatum. Obelix heeft het daar nogal moeilijk mee. Zodra hij Walhalla tegenkomt is hij van slag.
  • Tragicomix, de minnaar van Walhalla. Een lange, knappe man, die ook sterk en slim is. In Asterix in het eerste legioen werd hij gedwongen naar Afrika te gaan om daar als soldaat voor Caesar te vechten. Daar wordt hij bevrijd door Asterix en Obelix.
  • Cleopatra, heerseres van Egypte. Zij wordt in Asterix en Cleopatra de vrouw van Julius Caesar. Historisch gezien is dit waarschijnlijk incorrect. Ze woont in opvolgende albums samen met Caesar in Rome, en later in Alexandrië. Ze komt enkele keren in de strips voor, en krijgt samen met Caesar een zoon. Van die zoon (in De zoon van Asterix) wordt gezegd dat hij later als Ptolemaeus over Egypte zal regeren, wat historisch niet klopt.
  • Pompeius komt enkele keren voor in de strip als de gezworen vijand van Caesar die het hem zo moeilijk mogelijk wil maken (zie: Asterix en Latraviata).

Voorkomen van bestaande personen

Zoals in veel strips zijn in Asterix karakters getekend aan de hand van bestaande personen. Deze spelen geen hoofdrol zoals Julius Caesar en Cleopatra. Ook worden bekende kunstwerken verwerkt in de albums, zoals De Anatomische Les van Rembrandt.

Voorkomende personen en kunstwerken zijn:

Trivia

  • De eerste Franse satelliet (gelanceerd op 26 november 1965), officieel A1 genoemd, kreeg van ruimtevaartdeskundigen het koosnaampje Astérix mee.
  • In Parijs is er sinds de jaren ’80 een Asterix en Obelix-pretpark, genaamd Parc Astérix.
  • De lancering van het 33ste Asterix-album (Het Geheime Wapen) ging gepaard met een nooit geziene reclamecampagne. Zo droegen twee vliegtuigen van SN Brussels Airlines afbeeldingen van Astérix & Obelix en werd op 23 augustus het volledige Astérix-dorp nagebouwd op de Grote Markt van Brussel. Manneken Pis was als Obelix verkleed. In de Washuisstraat werd een muurschildering en in de hal van het Brusselse Stripmuseum een standbeeld van Astérix ingehuldigd. In het museum kon men ook als enige door de Belgische Post uitgebrachte Astérix postzegels voorverkopen.
  • Het Gallische dorpje is gebaseerd op het Franse vissersdorpje Erquy (Bretagne), dat de titel De geboorteplaats van Asterix draagt.
  • In de jaren 1990 maakte een Britse krant melding van een opgraving in Bretagne, waar een Keltisch dorp was opgegraven, waarvan de ruïnes nog zo goed intact waren dat er geen twijfel bestond: dit was precies het dorp van Asterix! Die editie verscheen echter wel op 1 april.


Gezegdes in het Latijn

In de regelmatige confrontaties van de Galliers met de Romeinen worden vaak Latijnse uitdrukkingen gebezigd van vooraanstaande Romeinse personen. Enkelen zijn uit het Nieuwe Testament afkomstig.

  • Alea iacta est = De teerling is geworpen.
  • Ave Caesar morituri te salutant! = Gegroet Casesar!, zij die gaan sterven groeten u. Of van (Suetonius Paulinus, de legeraanvoerder) of van Gaius Suetonius Tranquillus, de geschiedschrijver)
  • Ave Caesar lucratori te salutant! = Gegroet Caesar, zij die zich gaan verrijken groeten u.
  • Maior e longinquo reverentia = Van verre is de eerbied groter.
  • Mens sana in corpore sano = Een gezonde ziel in een gezond lichaam. (Juvenalis)
  • Non licet omnibus adire Corinthum: Niet iedereen valt het ten deel naar Korinthe te gaan. (Horatius)
  • Non omnia possumus omnes = Ieder kan niet alles. (Virgilius)
  • Nunc est bibendum = Nu is het tijd om te drinken. (Horatius)
  • O tempora! o mores! = O tijden! O zeden! (Cicero)
  • Panem et circenses = Brood en spelen. (Juvenalis)
  • Quis, quid, ubi, quibus, auxiliis, cur, quomodo, quando? = Wie, wat, waar, op welke wijze, waarom, hoe en wanneer?
  • Quo vadis? = Waar gaat gij heen? (Petrus)
  • Veritas odium parit = De waarheid maakt vijanden.


Verwijzingen naar de werkelijkheid

In de boeken van Asterix wordt regelmatig een verwijzing gemaakt naar een werkelijke gebeurtenis. Sommige zijn heel subtiel verstopt, anderen zijn weer duidelijk te lezen. Hier volgt een aantal van deze verwijzingen.

  • In “Asterix en Cleopatra” beklimt Obelix de Sfinx. Wanneer hij bijna boven is, breekt de neus af, omdat hij erop staat. Daarom heeft de Sfinx in Egypte geen neus meer. In hetzelfde boek zegt Asterix tegen Cleopatra, dat ze gerust weer een beroep op de Galliërs mag doen als ze weer hulp nodig heeft om iets te bouwen, bijvoorbeeld een kanaal van de Middellandse Zee naar de Rode Zee. Dit verwijst naar de bouw van het Suezkanaal door een Frans bedrijf in 1869.
  • In “Asterix in Hispania” is Asterix de eerste stierenvechter. In de arena raapt hij een rode cape op die van de tribune is gevallen. De stier die achter hem aan zit reageert erop, en Asterix verslaat de stier. In ditzelfde boek vraagt Kostunrix aan Obelix een aantal menhirs om een stukje geërfd land aan te kleden. Dit stukje land is het huidige Carnac.
  • In “Asterix en de Ronde van Gallia” reist Obelix met een grote gele zak op zijn rug, alsof hij de Gele Trui van de Tour de France draagt. Ook zit er op de achterkant van de zak een vierkant vlak, waar het nummer van de renner op zou staan.
  • In “Asterix en de Britten” spreekt Notax over een tunnel die ze van Gallia naar Britannia willen leggen. Ze zijn er al mee bezig, maar het zal nog wel even duren. Op het moment dat het boek geschreven werd, was de huidige Kanaaltunnel nog niet in aanbouw, maar lag wel op de tekentafel. Ook krijgt Asterix van Panoramix een kruid mee. Later in het verhaal, wanneer Asterix en Obelix bij de Britten zijn, legt hij de kruiden in een ketel water. Het geeft de Britten kracht en hun stamhoofd zegt er een nationale drank van te maken. Later hoort Asterix dat het kruid thee heet.
  • In “De Grote Oversteek”, waarin Asterix en Obelix naar Amerika reizen, staat Asterix te seinen naar een schip. Hij doet dit door op een stapel stenen te staan. Hij heeft in zijn ene hand een fakkel en houdt onder zijn andere een boek. Het Vrijheidsbeeld dat hij uitbeeldt, was in 1885 door de Fransen aan de Amerikanen gegeven. Dit vindt plaats op een klein eiland dat vlakbij een groot eiland is, waar ze eerst vandaan kwamen (New York). Eerder in dit album is er een situatie waarin de ossenkarren uit Lutetia een stiptheidsactie houden, als protest tegen de hoge hooiprijzen. Dit is een verwijzing van de oliecrisis van 1974.
  • Er worden ook verwijzingen gemaakt naar de moord op Caesar. In “Asterix en de Gladiatoren” en “De Zoon van Asterix” spreekt Caesar Brutus aan met ‘Ook gij, Brutus’ de woorden die Caesar gesproken schijnt te hebben toen Brutus hem neerstak. In “De Odyssee van Asterix” zegt Caesar tegen Brutus dat hij zijn mes weg moet doen, voordat hij er iemand mee verwondt. Brutus denkt op een gegeven moment in zichzelf: “Ik word gek van zijn woordspelingen. Het komt nog een keer zover dat ik…”
  • In “Asterix en het 1e Legioen” wordt, middels de samenstelling, een verwijzing gemaakt naar het Franse Vreemdelingenlegioen.
  • In “Asterix en de Gladiatoren” verwijst de wagenmennersrace, overduidelijk naar de beroemde scéne uit de film Ben Hur uit 1959.
  • In “Asterix en Cleopatra” spreekt Panoramix de woorden ‘twintig eeuwen zien op je neer’. Dit komt van Napoleon Bonaparte, die zijn leger toesprak met: ‘veertig eeuwen zien op u neer’.
  • In “De Helvetiërs” wordt een verwijzing gemaakt naar een vergadering van de Verenigde Naties in Genéve. In hetzelfde boek komt ook nog een Zurix Bank voor. In Zürich hebben alle beroemde Zwitserse banken een vestiging. Waar Zwitserland ook beroemd om is, is de oprichting van het Rode Kruis en hun medische hulp aan oorlogsslachtoffers. Dat komt naar voren wanneer een Helvetiër een Romein neerslaat en hem vervolgens verbindt.
  • In “De Odyssee van Asterix” is de geheim agent Nulnulnix een verwijzing naar de Schotse acteur Sean Connery die de rol van James Bond (007) vertolkte. Ook aan de Bondgadgets is gedacht, en ook aan het drankje dat hij drinkt.
  • Het citaat van Julius Caesar dat Abraracourcix verschrikkelijk opwindt, “Van alle Galliërs zijn de Belgen het dapperst”, komt uit De bello gallico.
  • In “Asterix en de Belgen” suggereert een Belg aan zijn vrouw dat ze eens moest proberen om aardappelen in reepjes te snijden en in en pot hete olie te gooien. Frieten bakken dus. Ook in “De Goten” worden frieten gebakken bij een wedstrijd tussen druïden.
  • In “Asterix en de Belgen” hebben de Belgen een “querelle de langues” (taalstrijd), maar de Franse versie hanteert de woordspeling “langue” als tong: is het een varkenstong of een rundstong?

Albert Uderzo (25 april 1927) is een Frans striptekenaar en stripschrijver.

Hij is geboren in Fismes (departement Marne, Frankrijk). Na zijn lagere schooltijd is hij al zo bezeten van tekenen en tekenfilms dat hij in 1940 naar het blad Junior toestapt en daar gedurende een jaar een soort opleiding volgt in het schilderen met waterverf, maar ook in spelling en stijl. Door de oorlogsomstandigheden trekt hij in 1941 naar Bretagne en werkt hij daar als boerenknecht en later bij zijn vader als meubelmaker. Het tekenen is hij vergeten tot hij in 1945, tegen de zin van zijn vader, meedoet aan een wedstrijd voor striptekenaars van Editions du Chêne en in 1946 publiceerde deze uitgeverij zijn eerste professionele strip Les aventures de Clopinard. In diezelfde tijd geneest hij van zijn tekenfilmaspiraties door als animator werkzaam te zijn aan de tekenfilm Clic-Clac (1945-46).

Het is 1946 en hij wordt een van de eerste tekenaars van het blad O.K. Uit die periode dateren Arys Buck (1946-47), een serie rond een onoverwinnelijke Galliër en zo misschien de voorloper van Asterix, Price Rollin (1947), de zoon van Arys Buck, en Belloy L’Invulnerable (1947-48). Na opheffing van O.K. in het begin van de vijftiger jaren tekent Uderzo voor het blad Bravo naar het Amerikaanse voorbeeld Captaine Marcel Junior en werkt hij 1950-51 als verslaggever-tekenaar voor de kranten France-Dimanche en France-Soir. In 1955 vindt de historische ontmoeting plaats bij International Press met de net uit de Verenigde Staten teruggekeerde René Goscinny. Hun samenwerking begint met de strip Luc Junior in La Libre Junior (tot 1957).
Al in die tijd ontwerpen ze speciaal voor Amerika de strip Hoempa-Pa rond een indiaan, die met zijn oude tradities in het moderne Amerika optreedt, maar Dupuis ziet niets in zo’n reeks. Intussen start Uderzo (met Charlier) een nieuwe serie Belloy-verhalen in Pistollin (1955-58), later in La Libre Junior en in Sprint verschijnt van hem Ton en Nelly (1955-56). De tweede strip met René Goscinny als scenaris wordt Benjamin et Bejamine (1958) onder andere in Top-Magazine. Intussen zijn Uderzo en Goscinny bij Dupuis weggegaan en komt Uderzo via reclamestrips en een paar korte verhaaltjes als Bolleke en Snolleke in 1957 terecht bij het weekblad Kuifje. Met zijn vaste compagnon begint hij in 1958 daarin dan eindelijk de reeks Hoempa-Pa, maar nu met een wat andere basis zodat het verhaal speelt tijdens de kolonisatie van Amerika. Van deze reeks verschijnen tot 1962 een vijftal episodes. Intussen raakt Uderzo en Goscinny betrokken bij het in 1959 opgerichte blad Pilote, waarvoor hij met scenario’s van Charlier de vervolgreeks Tanguy en Laverdure gaat tekenen. Met deze vliegtuigstrip in realistische stijl voelt Uderzo zich op den duur toch niet zo gelukkig; de vliegtuigen hebben zijn interesse wel, maar de tekenstijl sluit niet aan bij zijn karikaturale aspiraties en na pogingen met verschillende andere tekenaars, zoals Gir, wordt de strip vanaf 1966 door Jijé voortgezet.

In 1959 werd hij de artistieke directeur van het nieuwe Franse striptijdschrift Pilote, waarin hij Asterix (samen met scenarist René Goscinny) en Tanguy et Laverdure (samen met Jean-Michel Charlier) tekende. Door het grote succes van Asterix ging hij zich vanaf 1967 volledig op het tekenen van die reeks toeleggen. Samen met René Goscinny maakte hij ook de serie Oumpah Pah le Peau-Rouge (Oumpah-Pah de Roodhuid), die vanaf 1958 verscheen in het Belgische stripweekblad Kuifje, en Jehan Pistolet (Johan Pikbroek). Bij de Nederlandse lintjesregen van 2006 is hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Deze onderscheiding werd hem uitgereikt op dinsdag 6 maart 2007 in de Ambtswoning van de Nederlandse Ambassadeur in Parijs. Naast zijn verdiensten voor de stripwereld werd Uderzo gelauwerd om zijn betekenis voor het historisch en klassiek onderwijs in Nederland, zijn bijdrage aan de Europese eenwording en het onderling respect voor andere culturen.

René Goscinny (14 augustus 1926 – 5 november 1977) was een Franse schrijver, humorist en scenarist van stripverhalen.

Goscinny werd geboren te Parijs als tweede zoon van Stanislas “Simkha” Goscinny, een chemisch ingenieur uit Warschau, en Anna Beresniak Goscinny uit het dorpje Chodorkow (Oekraïne) die elkaar in Parijs hadden ontmoet. In 1928 verhuisde het gezin naar Buenos Aires omdat Goscinny senior daar een baan had gekregen.

Zijn jonge jaren bracht Goscinny door in Argentinië waar hij een korte carrière als tekenaar beleefde. In december 1943 overleed zijn vader. Goscinny had enkele baantjes, onder andere als leerling-accountant en als tekenaar. In 1945 verhuisde hij met zijn moeder naar zijn oom Boris in de Verenigde Staten. In 1946 keerde hij terug naar Frankrijk om zijn militaire dienstplicht te vervullen bij het 141e bataljon van de Alpenjagers. Hij werd bevorderd tot korporaal en werd de illustrator van zijn regiment. Voor het leger maakte hij illustraties en posters. In 1947 illustreerde hij een boek, en vervolgens keerde hij terug naar New York. Er volgde een moeilijke periode, zonder werk. In 1948 begon hij in een kleine studio te werken. Hier raakte Goscinny bevriend met mensen als Will Elder, Jack Davis en Harvey Kurtzman, die later bekend zouden worden van hun werk voor Mad magazine. Na een art-directorschap van een kinderboekenuitgeverij trekt de ondernemende Goscinny in 1955 naar Europa, daartoe aangezet door Gillain (Jijé) en Morris die hij in 1948-49 had leren kennen op hun legendarische oversteek naar Amerika (Franquin was inmiddels naar België teruggekeerd). Vastbesloten met strips verder zijn kost te verdienen stapt Goscinny in Brussel met 19 platen van Dick Dicks binnen bij World Press, een bureau dat veel Amerikaans materiaal leverde aan Dupuis. In 1949 ontmoette hij er ook de tekenaar Maurice De Bevere (Morris). Kort daarop verhuisde Goscinny terug naar Parijs.

In 1951 ontmoette hij daar de tekenaar Albert Uderzo met wie hij enkele stripverhalen-series maakte, waaronder Oumpah-Pah, dat in het tijdschrift Tintin verscheen tussen 1958 en 1962). Vanaf 1959 begon hun strip Asterix te verschijnen in stripblad Pilote. Inmiddels werkt Goscinny als scenarist op talloze fronten en is de geestelijke vader van heel wat producten van tekenaars als Franquin (Ton en Tinneke), Tibet, Bob de Moor, Maréchal, Macherot Attanasio, Berck en was hij in 1955 ook verhalen gaan schrijven voor de strip Lucky Luke die werd getekend door Morris. De samenwerking met zowel Morris als Uderzo, zou duren tot de dood van Goscinny in 1977.

Als redacteur (vanaf 1959) en later hoofdredacteur (van 1963 tot 1974) van Pilote maakte Goscinny dit blad tot een stripblad voor volwassenen met stripverhalen die inventiever en vernieuwender waren dan tot dan toe gebruikelijk in stripbladen voor kinderen.

Goscinny werkte als scenarist ook samen Jean Tabary (Grootvizier Iznogoedt, 1962-1977) en Gotlib (Les dingodossiers, 1965-1967). Hij schreef onder het pseudoniem Agostini een serie kinderboeken, Le Petit Nicolas (1956-1964), geïllustreerd door Jean-Jacques Sempé.

Goscinny overleed op 51-jarige leeftijd aan een hartaanval tijdens een inspanningstest in een ziekenhuis in Parijs.

Hergè

Hergé, pseudoniem van Georges Remi (Etterbeek, 22 mei 1907 – Brussel, 3 maart 1983) was een Belgische striptekenaar. Als je de initialen van zijn naam omdraait (R G) en op z’n Frans uitspreekt, klinkt dat als er géé wat je in het Frans kunt schrijven als Hergé.

Hergé is, naast Franquin en Goscinny, een van de grote scheppers van de Europese humoristische avonturenstrip van halverwege de 20e eeuw. Zijn bekendste creatie is ongetwijfeld Tintin (in het Nederlands vertaald als Kuifje), een jonge krantenverslaggever die over de hele wereld in avonturen verzeild raakt.

Het grootste talent van Hergé was wellicht dat hij een begenadigd regisseur was. Dat komt tot uiting in de manier waarop zijn verhalen zijn opgebouwd en uitgebeeld. Vreemd is het dan ook niet dat groten uit de filmwereld, zoals Steven Spielberg, bewondering hadden voor Hergé. Spielberg gaf zelfs toe dat de figuur van Indiana Jones op de avonturen van “Kuifje” gebaseerd was.

In 1921 jonge Georges sluit zich aan bij de scouts van het college en krijgt er de totemnaam ‘Renard curieux’ (nieuwsgierige vos). Zijn eerste tekeningen verschijnen in ‘Jamais Assez’ (Nooit Genoeg), het scoutsblad van de school en later, vanaf 1923, in ‘’Le Boy-Scout belge’, het maandblad van de Belgische scouts. Vanaf 1924 ondertekent hij zijn illustraties met Hergé (RG, de initialen van Remi Georges). Wanneer hij in 1925 afgestudeerd is wordt hij aangeworven als bediende bij de abonnementendienst van het dagblad ‘Le Vingtième Siècle’. In 1926 creëert hij Totor, chef van de scoutspatrouille ‘Les Hannetons’ (de Meikevers), die een voorafbeelding is van Kuifje. Na zijn legerdienst wordt Hergé bevorderd tot hoofdredacteur van Le Petit “Vingtième”, de wekelijkse jeugdbijlage van ‘Le Vingtième Siècle’. Het eerste nummer verschijnt op 1 november. Op 10 januari 1929 zien Tintin et Milou (Kuifje en Bobbie) het licht in Le Petit “Vingtième”. Pas in 1930 schept hij Quick en Flupke, twee Brusselse straatbengels, wier fratsen op twee bladzijden verschijnen in Le Petit “Vingtième”. Datzelfde jaar verschijnt het eerste Kuifje-album ‘Tintin au pays des Soviets’. In 1932 trouwt Georges Remi met Germaine Kieckens, de secretaresse van de directeur van ‘Le Vingtième Siècle’. Voor het Franse weekblad ‘Coeurs vaillants’ creëert Hergé een nieuwe serie met nieuwe helden: Jo, Suus en Jokko. Van hun belevenissen zullen vijf albums op de markt komen. Op 26 september 1946 verschijnt het eerste nummer van het tijdschrift ‘Kuifje’, een nieuw weekblad voor de jeugd gecreëerd door de gewezen verzetsleider Raymond Leblanc. Omdat de uitwerking van ‘Mannen op de Maan’ de inzet van heel wat technische middelen, veel opzoekingswerk en bijzonder veel aandacht vergt, omringt Hergé zich vanaf 1950 met een aantal medewerkers en sticht hij de Studios Hergé. Nadat de echtscheiding van zijn eerste vrouw in 1977 officieel is uitgesproken, treedt Georges Remi in het huwelijk met Fanny Vlamynck. De Amerikaan Andy Warhol, één van de grondleggers van de pop-art, maakte in 1979 een reeks van vier portretten van Hergé. De vijftigste verjaardag van de ‘geboorte’ van Kuifje wordt zowat overal gevierd, o.m. met de uitgave van een speciale postzegel uitgegeven door de Belgische posterijen, met de expo ‘Het denkbeeldige museum van Kuifje’, met de uitgave van het album ‘Vijftig jaar kapriolen aan de ketting’, enz. Op 3 mei 1983 overlijdt Georges Remi, de man die wereldberoemd werd onder het pseudoniem Hergé. In 1986 volgde nog de publicatie van het laatste, onafgewerkte avontuur van Kuifje: ‘Kuifje en de Alfakunst’. Omdat Hergé expliciet de wil had uitgedrukt dat Kuifje na zijn overlijden niet aan een andere tekenaar mocht toevertrouwd worden, beslist zijn echtgenote Fanny om de toen nog bestaande Studios Hergé om te vormen tot de Stichting Hergé (Fondation). Terwijl het weekblad ‘Kuifje/Tintin’ houdt op te bestaan in 1988 verschijnt er in het Brussels metrostation Stokkel een fresco van twee keer 150 meter – op basis van een tekening van Hergé – met alle personages uit de reeks figureren.

Om zijn wat zwakkere tekenkwaliteit te maskeren, ontwikkelde Hergé een techniek die een eigen leven is gaan leiden: de klare lijn. In deze stijl worden niet of nauwelijks schaduwen of kleurverloop gebruikt en worden elementen van een tekening met duidelijke zwarte lijnen begrensd. Hergé besteedde veel zorg aan zijn tekeningen en dat valt eraan af te zien: heldere afbeeldingen waarin de actie in één oogopslag duidelijk is.

Hergé raakte in een politiek conflict betrokken toen hij het ware verhaal van de aanval van Japan op China in het Kuifje-album De Blauwe Lotus probeerde te vertellen. Weinigen in Europa hadden op dat moment van de ware toedracht gehoord.

De Blauwe Lotus is een keerpunt in de ontwikkeling van Kuifje. Dit was het eerste album waarin Hergé ook nauwgezet onderzoek deed naar de wereld waarin zijn verhalen zich afspeelde. Daarvoor verzon hij auto’s, schepen en gebouwen vaak zelf en maakte hij culturen en volken tot stereotypen.

Dankzij deze stereotypen en latere vergissingen, wordt Hergé nog vaak gezien als racist, temeer omdat hij Leon Degrelle, dé Belgische aanhanger van Hitler tijdens de Tweede Wereldoorlog, gekend heeft voor deze in de politiek stapte.
De net genoemde vergissingen haalde Hergé er bij de herwerkingen van zijn albums systematisch uit, al blijven ze hem achtervolgen. Zeker het voorval in De geheimzinnige ster, waarbij hij de naam Blumenstein liet vervangen in Bohlwinkel. Hergé wou de Joods klinkende naam van de schurk (met een behoorlijk ‘Joodse neus’) vervangen, maar de vervanging – wat gewoon Brussels is voor een soort snoepwinkel – bleek ook Joods te zijn.

Andere twijfelachtige kenmerken bleven ongeschonden, of werden vervangen door andere twijfelachtige kenmerken. Amerikanen waren de boeven in De geheimzinnige ster, die verscheen onder het toeziend oog van de Duitse bezetter, waardoor hem soms ook collaboratie met de nazi’s in de schoenen geschoven wordt. Ondanks dat het bewijs al meermaals geleverd is dat Hergé geen uitgesproken mening had over zulke zaken, blijven sommigen hem echter betichten van racisme en collaboratie.

In 2005 werd Hergé genomineerd als één van de 111 kansmakers op de titel “De Grootste Belg”. In de Vlaamse versie eindigde hij op nr. 24, in de Waalse op nr. 8. Hergé ligt begraven op de ‘Begraafplaats van Dieweg’ in Ukkel in Brussel.

Kuifje is de naam van de (fictieve) hoofdpersoon in een serie stripverhalen gemaakt Hergé. De eerste strip verscheen op 10 januari 1929. Het eerste stripalbum van Kuifje is Kuifje in het land van de Sovjets. De afbeeldingen zijn volledig in zwart-wit, latere albums zullen in kleur verschijnen. De oorspronkelijke, Franstalige naam van Kuifje was Tintin. De eerste vertalingen van Kuifje in het Nederlands verschenen pas tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Kuifje is een verslaggever die in Brussel woont. In zijn eerste avontuur gaat Kuifje voor journalistiek werk naar de Sovjet-Unie. Ook in Kuifje in Amerika gaat Kuifje op avontuur om verslag te doen. Kuifje is een beoefenaar van de bokssport en heeft een zeer brede interesse in politieke en wetenschappelijke zaken.

Vooral de eerste albums hebben een politieke lading maar er is ook zeker plaats voor humor. Deze balans is kenmerkend voor de Kuifje-strips. De afbeeldingen van auto’s, gebouwen, vliegtuigen en zelfs hele steden in de Kuifje-strips berusten allemaal op de werkelijkheid. Maar de studie en onderzoek die dit vergde kostte Herge een enorme hoeveelheid werk, waar hij geestelijk zelfs bijna aan onderdoor ging.

Ook werden enkele tekenfilms van speelfilmlengte gemaakt, en korte tekenfilms gebaseerd op de albums. In de jaren zestig verschenen er ook twee echte speelfilms over Kuifje, Het Geheim van het Gulden Vlies en De Blauwe Sinaasappels. De sfeer van de stripverhalen is daarin zeer goed te proeven.

Daarnaast verschenen onder meer ook heel wat nieuwe (Belgische) postzegels en boeken over Kuifje, en een nieuw album, Kuifje en de Alfa-kunst, waarin het onvoltooide laatste verhaal van Hergé (schetsen en pentekeningen) is opgenomen.

Van 1946 tot 1992 bestond er ook een stripweekblad met de naam Kuifje.

Kuifje-films zijn:

  • Kuifje en het Haaienmeer
  • Het Geheim van het Gulden Vlies
  • Kuifje en de Blauwe Sinaasappels

Van alle stripalbums (met uitzondering van Kuifje in het land van de Sovjets en Kuifje in Afrika) is een tekenfilmserie gemaakt. Er zijn vele parodieën op Kuifje gemaakt, meestal met een politieke of seksuele inhoud, bijvoorbeeld het album Kuifje in Zwitserland van Efdé. Verder duikt Kuifje zeer sporadisch op in andere stripverhalen, bijvoorbeeld in een avontuur van De 4 helden van François Craenhals.

Jo, Suus en Jokko is een stripreeks van Hergé, getekend in opdracht van het Franse tijdschrift Cœurs Vaillants. De opdracht was een stripreeks te maken rond een normale jongen met een gezin, een vader, moeder en zusje, en een huisdier. Men wou de jeugd niet alleen met Kuifje confronteren, die men op familiaal vlak geen voorbeeld vond, omdat er in de albums nergens familie van hem voorkomt, en dit stoorde de Franse redacteurs.

Hergé maakte dan uiteindelijk ook zo’n reeks, maar in vergelijking met Kuifje zijn de drie avonturen van Jo, Suus en het wel erg aparte huisdier – een chimpansee – Jokko (of Jocko) weinig zaaks. De kwaliteit wordt dan ook vaak betwist. Ook Hergé vond zich niet in deze opgelegde vorm van werken, en stopte na deze 3 avonturen (de eerste 2 zijn verspreid over elk 2 albums) dan ook met de reeks.

Albums

  1. Het testament van Mr. Pump
  2. Bestemming New York
  3. De Manitoba antwoordt niet meer
  4. De uitbarsting van de Karamako
  5. De Najavallei

Quick & Flupke is een strip van Hergé. In 1930 creëert Hergé met Quick & Flupke twee Brusselse straatbengels die kattenkwaad uithalen en wel altijd iets breken, in de war sturen of de plaatselijke politieagent zijn rustige ronde verstoren.

In de jaren tachtig komen er enkele nieuwe en hertekende strips van de hand van Johan De Moor, zoon van Bob De Moor, de vaste medewerker van Hergé. Er wordt ook een reeks zeer korte tekenfilms gemaakt.

Albums

  1. Verboden spelletjes
  2. Niks aan de hand
  3. Hoogspanning
  4. Alle zeilen bij
  5. Ieder op zijn beurt
  6. Erop of eronder
  7. Pardon, mevrouw
  8. Leve de vooruitgang
  9. Wat een ramp!
  10. Vuurwerk!
  11. Pure bluf
  12. Riemen vast

De koene ridder

De Koene Ridder is stripcreatie van tekenaar/schrijver Francois Craenhals, de eerste twintig ervan uitgegeven door uitgever Casterman. Er zijn 25 albums van zijn hand verschenen. Ze verhalen de avonturen van Roland van Walburghe als leenheer van koning Arthus. Zijn dochter Gwendoline is hopeloos verliefd op Roland en dit is wederzijds. De koning vindt Roland van te lage komaf en verbiedt deze liefde. Tevergeefs natuurlijk.

Het leenschap Rastigne (Rougecogne) ligt in de Belgische Ardennen en Arthus is daarmee niet de Britse Arthur. De franse titel van de serie is “Chevalier Ardent”.

Postzegel

De Belgische posterijen (“De Post”) hebben tussen 10-19 mei 2003 een “priority” klasse postzegel van 49 eurocent uitgebracht in rasterdiepdruk met de Koene Ridder te paard.

Albums

De volgende titels zijn uitgebracht (soms in diverse uitvoeringen met harde en slappe kaft)

Casterman:

  1. 1970 : Le Prince noir – De Zwarte Prins
  2. 1970 : Les Loups de Rougecogne – De Wolven van Rastigne
  3. 1971 : La Loi de la steppe – De Wet van de Steppe
  4. 1972 : La Corne de brume – De Misthoorn
  5. 1973 : La Harpe sacrée – De Heilige Harp
  6. 1974 : Le Secret du roi Arthus – Het Geheim van Koning Arthus
  7. 1975 : Le Trésor du mage – De Schat van de Wijze
  8. 1976 : La Dame des sables – Aïcha de Woestijnroos
  9. 1977 : L’Ogre de Worm – De Reus van Worm
  10. 1978 : La Princesse captive – De Gegijzelde Prinses
  11. 1979 : La Révolte du vassal – De Opstand van de Leenman
  12. 1980 : Les Chevaliers de l’apocalypse – De Ruiters van de Apocalyps
  13. 1981 : Le Passage – De Geheime Doorgang
  14. 1983 : Le Champion du roi – De Voorvechter van de Koning
  15. 1985 : Le Piège – Valstrik in Kiev
  16. 1987 : L’Arc de Saka – De Boog van Saka
  17. 1989 : Yama, princesse d’Alampur – Yama, prinses van Alampur
  18. 1991 : Retour à Rougecogne – Terug naar Rastigne
  19. 1995 : La Fiancée du roi Arthus – De Verloofde van Arthus
  20. 2001 : Les Murs qui saignent – De Bloedende Muren

Paul Rijperman: (deze uitgaven zijn moeilijker te vinden en daardoor duurder)

  1. 1979 : La Tour Sarrasine – De Saraceense Toren
  2. 1979 : La Salamandre – De Salamander
  3. 1979 : Le Chien des Arboe – De Hond van Arboe
  4. 1979 : Les Loups-Garous – De Weerwolven
  5. 1981 : De Spookterp
De Belgische striptekenaar en scenarioschrijver François Craenhals werd in november 1926 geboren in Ixelles bij Brussel. François volgde een opleiding tot werktuigbouwkundige en volgde een cursus tekenen aan de Academie des Beaux Arts in Brussel. François Craenhals werkte als cartoonist en illustrator bij verschillende tijdschriften en dagbladen. Hij debuteerde met zijn eerste stripverhaal Karan in 1950 in het toen populaire weekblad Heroïc Album, een van de pijlers van de naoorlogse Belgische strip. Ook tekende hij de strip “Karan” voor het jeugdblad Zonneland. Aan het begin van de jaren vijftig kreeg Craenhals een kans bij het stripblad Kuifje. Na enkele korte strips die het leven van beroemde mensen beschreven, kwam hij met een strip rond de weesjongen Pom, die allerlei avonturen beleefde met een rondreizend circus.In 1964 illustreerde Craenhals in de collectie kinderboeken van Casterman de roman De 4 helden van Georges Chaulet. Hij werkte het gegeven later om tot stripverhaal. Uiteindelijk verschenen er 21 albums van in het Nederlands (en liefst veertig in het Frans). In 1966 begon Kuifje met de publicatie van de “Koene Ridder”. Deze ridderstrip speelde zich af rond 1200 in de Ardennen. De hoofdpersoon was de leenheer van Rastigne, die carrière maakte aan het hof van koning Arthur. Van de “Koene Ridder” verschenen twintig albums. François Craenhals overleed in augustus 2004 op 78-jarige leeftijd.