Mijn moeder (6)

Dit is het slot en de epiloog.

Toen mijn zus scheidde van haar man vond ze dat jammer en verstond het niet echt goed. Waarom konden ze niet meer samen blijven ? Ze konden het toch uitpraten of negeren ?

Op mijn vraag waarom zij nooit gescheiden heeft van papa zei ze : Waar moest ik naar toe met 3 kinderen ? Ik had geen werk, geen inkomen. Je denkt toch niet dat je vader me zou toegelaten hebben dat ik zijn kinderen van hem af nam, hé. Ik ben altijd Madamme R(familienaam) gebleven. En zie me nu : baas in eigen huis! Ik zou het niet gekund hebben !

Toen ik van mijn man scheidde vond ze het jammer dat ik uit mijn huis ging (!). Ik moest beter mijn best doen en in mijn huis blijven. Yeah right ! Toen de volgende relatie ook niet uitdraaide zoals ik gedacht had en mijn hart gebroken was vond ze dat het mijn eigen schuld was : Je had maar bij je man en in je huis moeten blijven ! Bedankt, mama. Net wat ik wilde horen. Troosten heeft ze me niet gedaan. Integendeel : toen ik zat te snotteren, hoorde ze iemand binnen komen en ze zei : Stop nu maar, hou nu maar op. Er is daar iemand. Die belachelijke schone schijn ! Bah !

Toen mijn broer en zijn vrouw enkele jaren geleden, na 25 jaar huwelijk, uit elkaar gingen was ze er het hart van in. Ze heeft er echt onder geleden. Haar enige troost was dat mijn broer terug bij haar komen wonen is. Hij woonde er nog toen ze stierf op 14 januari 2011.

In de loop der jaren, na mijn vaders dood, werd ze gul met haar geld. Wie er nodig had en erom vroeg, kon er krijgen. Mijn broer had er geen problemen mee om boven zijn stand te leven en dan geld te vragen. Ze gaf graag. Toen mijn zus of ik eens iets vroegen, wat we zelden deden want we waren te trots, paste het nu net niet want ze had zojuist aan broer gegeven. Tot we niets meer vroegen en met lede ogen zagen hoe ze haar zuur gespaarde centen weg gaf aan altijd maar dezelfde. Toen ik mijn broer er eens over aansprak zei hij : ‘Je moet ook maar geld vragen, hé. Ze heeft er toch genoeg.’ In mijn mond geblazen bedacht ik : ik val nog liever dood ! Ik kan tenminste zeggen dat ik het helemaal alleen heb verwezenlijkt maar daar had hij geen goesting voor.

De laatste jaren was er nog maar 1 die goed was : mijn broer. Dat hij failliet gegaan was, was pech. Die jongen heeft toch ook nooit geluk, hé. Dat hij veel huishuur moest betalen vond ze erg, maar het was toch zo’n mooi ingericht huis. Zij deden zoveel voor haar : om boodschappen gaan (en ook voor hen wat zij dan betaalde), het gras komen afrijden (voor een vergoeding), komen kuisen (voor drinkgeld), … Een ander moet ik ook betalen. Ja, maar niet zoveel ! Zijn zoon wil een nieuwe gsm van 300 euro ? Geen probleem : Marain zal het wel betalen. Haar eerste kleinkind, de dochter van mijn zus, komt wenen dat ze haar verkeersboetes en autoverzekering niet kan betalen ? Geen probleem : Marain zal helpen. Ze had op een gegeven moment 4 miljoen Bf staan, bij haar dood was er nog 1 van over …

Begrijp me niet verkeer : het gaat niet over het geld. Dat was van haar, daar had zij voor gespaard en mocht het geven aan wie ze wilde. Dat heeft ze ook gedaan, zelfs na haar dood. Maar soms deed het wel pijn. Waarom niet aan alle 3 haar kinderen gelijk geven ? Wij konden het ook gebruiken, hoor. Ik zal het nooit weten.

Wat mij meer pijn deed was het feit dat ik niets meer goed kon doen : ik had niet de ‘juiste’ kleren aan om ‘op de bureau’ te werken (het had geen zin om te zeggen dat iedereen er op mijn werk er zo bij loopt). Ik moest hoogdringend mijn lange haren afknippen en laten ‘coifferen’. Op jouw leeftijd is dat niet meer mooi ! (Ik was toen 25 jaar).

Toen ik alleen ging wonen was ik een hoer. Ze vergat voor de gelegenheid dat mijn zus en haar gezin op het gelijkvloers woonde en mijn broer met zijn gezin op de eerste verdieping. Ik woonde op de (heringerichte) zolders. Het was in mijn vaders ouderlijk huis aan de rokerij. Ik werd goed in de gaten gehouden en alles werd overgebriefd en ik wist het ! Elke week moest ik horen dat ik nooit aan een deftige vent zou geraken !

Ik was de enige die elke week belde naar haar om te vragen of alles goed was, of ze niets nodig had en om af te spreken voor de boodschappen. Het was naar mij dat ze belde tijdens haar hartaanval.

Ik ben de enige die bezig was (is) haar eigen huis af te betalen, maar zelfs daar had ze geen schouderklopje voor over. Mijn huis was niet af en niet mooi ingericht met prullen. Ik had een krot gekocht (haar woorden) !

Ik werd verweten dat ik nooit iets voor haar gedaan had en dat ze alleen op mijn broer kon rekenen. Blijkbaar was ze vergeten dat eerst ik met haar boodschappen deed. Dat ik daarvoor verlof nam. Dat ik haar in mijn auto naar haar zuster in Houthulst bracht. Dat ik haar de tijd gaf om naar het graf van haar ouders te gaan of naar de ‘Grot’ zodat ze daar weer eens kon vertellen over hoeveel tijd ze daar had doorgebracht als kind. Ik was het die naar de apotheek reed als ze weer eens zonder pillen zat. Je moet komen want mijn pillen zijn op. Ik liet alles vallen en deed wat ze me vroeg. Mijn auto was altijd te vuil voor haar, maar was wel goed genoeg om haar te brengen waar ze wilde zijn.

Dat ik haar zelfs niet kwam bezoeken in het ziekenhuis ! Niet juist want ik ben haar elke dag gaan bezoeken en bracht haar zelfs naar huis, toch de eerste keren. Tot die keer dat ze zich van me weg draaide toen mijn broer binnen kwam om me, over haar schouder, te commanderen dat ik de (zijn) kinderen moest stil houden die in de gang aan het spelen waren, terwijl ze aan het fluisteren was tegen mijn broer ! Ik ben al wenend naar huis gereden.

Toen ze me, de laatste keer dat ik bij haar thuis was, na een incident waar ik niets mee te maken had, uitmaakte voor alles wat mooi en lelijk was, was ik zo verbijsterd dat ik niets kon uitbrengen. Ze schreeuwde allerlei verwijten tegen me over dingen waar ik voor niets tussen zat. Ze deed alsof het allemaal mijn schuld was, alsof ik er de oorzaak van was. Ook dingen van een ander schuifde ze in mijn schoenen. Pas toen mijn schat mijn handtas en mantel in mijn armen propte en me naar buiten duwde, kwam ik terug tot leven. Ik stond te schudden van de shock. Ik kon niet naar huis rijden want ik was zo aan het beven dat ik mijn sleutels niet kon vast houden. Mijn liefste heeft gereden. Onderweg en thuis heb ik onbedaarlijk zitten wenen als een klein kind. Steeds weer zeggend : ‘Dat is toch niet waar, hé ? Zo ben ik niet, hé ? Dat was niet ik, hé ? Dat was niet mijn schuld, hé ? Dan verdiende ik toch niet, hé ? Hoe durft ze me zo te beschuldigen ?’ Ik heb mijn mannemens nog nooit zo boos op iemand gezien. Hij was razend dat ze me op mijn knieën gekregen had door haar valse beschuldigingen. Toen ik eindelijk, ergens midden in de nacht, gekalmeerd was en besloot haar nooit meer de kans te geven om zo tegen me uit te varen en ik haar nooit meer wilde zien, vond hij dat een schitterend idee. Hij wist dat ik dan niet meer al wenend thuis zou komen na een bezoekje aan haar.

Toen ze de voorlaatste keer in het ziekenhuis lag zijn mijn zus en ik haar gaan bezoeken. Ze heeft zitten kletsen over koetjes en kalfjes. Ze lichtte op toen mijn broer binnen kwam. Op zijn vraag of ze blij was dat we er waren en wat ze vond van ons (ze had ons al bijna een jaar niet meer gezien) zei ze : ‘ Ze zijn wel erg vervet, hé.’ Dat was wat ik wilde horen van mijn moeder ! Dat ik dikker geworden was, wist ik ook wel. Het was niet daarom dat we gegaan waren. We zijn boos naar huis gereden.

Toen ze de volgende keer in het ziekenhuis lag, ik had haar dan alweer meer dan een jaar niet gezien, ben ik niet meer willen gaan. Het was haar laatste keer. Toen ze me belden om te zeggen dat ze ‘op het laatst’ was, ben ik ook niet geweest. Heb ik daar nu spijt van ? Heel misschien een heel, heel klein beetje … Maar de kans dat ze zou zeggen dat ze me graag zag en dat ze trots op me was, was enorm klein. En om weer de huid vol gescholden te worden … neen, bedankt.

Ik vind het vooral jammer dat we zo’n goede relatie hadden toen ik jong was en dat het helemaal kapot gegaan is door haar weigering me graag te zien en te accepteren zoals ik was/ben. Ze had kunnen zeggen dat ze trots op me was. Dat ik goed bezig was/ben. Dat ik er wel zou geraken en dat alles goed zou komen. Ze kon gelukkig zijn voor me of mijn verdriet delen. Is dat niet wat moeders (normaal gezien) doen ?

Ik weet niet wat er gebeurd is. Misschien heb ik, tijdens het ouder worden, laten blijken dat ik toch mijn eigen ding zou doen. Was ze ontgoocheld dat ik haar raad niet opvolgde ? Niet alles deed wat ze zei ? Leek ik teveel op haar of op mijn vader ? Ik zal het nooit weten.

Wat ik wel weet is dat ik haar niet echt mis. Het automatisme van ‘dit moet ik aan mama vertellen’ of ‘ik moet nog bellen naar mama’, was er al lang uit. Ik heb veel meer verdriet gehad bij het overlijden van mijn vader dan van haar. Dat vind ik erg, maar zo is het nu eenmaal.

Advertenties