Mijn moeder (1)

Ik heb er lang over nagedacht of ik hier niet eens een reeks zou zetten over mijn moeder. Jullie weten het misschien niet, maar mijn relatie met haar is niet altijd over rozen gegaan. Zeker de laatste jaren van jaar leven heb ik niet meer willen naar haar gaan. Ik ben ook niet aan haar doodsbed geweest.

Ik wilde hier eens alles op een rijtje zetten ter mijne herinnering. Ook dat ik haar zo misschien beter zou begrijpen en zo zou kunnen uitvogelen hoe ze bestond en waarom ze sommige beslissingen genomen heeft, sommige uitspraken gedaan heeft. Ik ben nu ook ouder en hopelijk krijg ik er nu kop aan. Mischien merk ik wel dat ik meer op haar gelijk dan ik zelf vermoed. Here we go :

Yvonne VanDamme (zo schreef ze zelf haar familienaam) werd geboren in Klerken op 4 november 1923. Ze was een ‘achterkomer’ en de geruchten deden de ronde, in het (toen) achterlijke Houthulst, dat ze een kind was van haar zuster die toen 16 jaar was. Ze had nog een oudere broer (19 j) en een oudere zuster (18 j), maar die waren al getrouwd en de deur uit. Die zus van 16 jaar ‘diende’ in Frankrijk, zoals gebruikelijk was in die tijd.

Haar ouders waren ‘leurders’ in Frankrijk, ttz. ze gingen van plaats naar plaats met paard en kar om hun goederen (voornamelijk rotan) te verkopen. Ze gingen tot aan de Pyreneeën ! Dat heeft ze ons vaak verteld. Ook haar oudere broer en zus zaten ‘in de stiel’.

Zij verbleef ondertussen in het ‘klooster’, zoals ze zelf zei. Het was eigenlijk een internaat waar de nonnen de plak zwaaiden. Ik weet nog dat ze vertelde dat ze zich maar tot aan hun knieën mochten wassen, met hun kleren aan, voor de zedelijkheid ! Toen haar ‘leurder’-zus in het dorp was kwam ze mijn moeder ophalen en eens goed wassen in een tobbe. Ze had in het klooster een zeer regelmatig leven, er was (bijna) geen plaats voor extra’s. Toch mocht ze elke week een stuk afbreken van de chocolade die door haar familie was achtergelaten. Ze zorgde er zoveel mogelijk voor dat het ‘verkeerd’ afbrak zodat ze meer dan een ‘lat’ kon opeten. Ze had er nog plezier in toen ze het ons vertelde.

Toen ze 10 jaar was mocht ze terug thuis wonen. Haar ouders wilden de overschakeling naar een auto niet doen en bleven thuis rentenieren. Dat vond ze een zeer leuke tijd. Haar vader had veel aandacht voor haar en ze moch veel met hem helpen. Al kon hij ook in een colére schieten en naar haar trappen met zijn klomp. In hun tuin werden groenten en fruit gekweekt, ze hadden een schaap, kippen, konijnen, … Het was er een kleine boerderij.

In het dorp was er ruilhandel : een stuk schaap voor een stuk koe, een konijn voor een homp kaas, … Haar vader kon niet slachten maar konijnen villen deed hij als de beste, dus in ruil … Ja, het leven was er goed … tot in 1935 : de devaluatie van de Belgische Frank met 28%. Voor mensen die leven van de ‘kroose van hun geld’ (intresten) was dat een hele opdoffer. Er moest opeens bespaard worden !Gelukkig bloeide de ruilhandel nog meer en zijn ze er niet onderdoor gegaan. Maar haar moeder hield de portemoneé stijf dicht, haar vader ging nog steeds ‘een pint’ drinken en liet het niet aan zijn hart komen.

Toen ze 14 jaar was, gedaan met school dus moest ze ook gaan ‘dienen’ in Frankrijk. Gelukkig was het op de plaats waar haar zuster ook werkte. Daar heeft ze nooit veel over gezegd, alleen dat ze dat niet graag deed. Ze was ver van huis, moest wonen waar ze werkte, en miste haar thuis enorm.

Ik bedenk nu pas dat ze eigenlijk maar 4 jaar thuis heeft gewoond. Thuis waar ze zo graag was en waar ze zo gelukkig was … Dat kan een mens tekenen, hé.

Haar volgende periode waren de ‘oorlogsjaren’ en daarover vertel ik (misschien) de volgende keer.