Telefoongesprekken op het werk.

Zoals gezegd ben ik deze week ‘van telefoon’ en dat doe ik zeer graag. Zo hoor je nog eens wat.

De meeste vragen komen van de uitbetalingsinstsellingen (Vakbond of Hulpkas) en zijn straightforward over een dossier. Soms ze willen een verduidelijking van de reglementering en/of hoe wij die toepassen. Je hoort direct wanneer de persoon in kwestie voor hen zit want dan gaat het over wanneer het dossier vermoedelijk zal afgewerkt worden. Of ze vragen om de door ons gegeven code te zeggen zodat ze reeds kunnen uitbetalen.

Dat zijn allemaal vragen die vlug kunnen beantwoord worden omdat we dezelfde taal spreken. We spreken in vakjargon. We smijten met artikels en afkortingen waar een buitenstaander geen touw kan aan vast knopen.

  • ‘Ja, maar als je dat indient als een 770 bekijken wij de 116§1 niet, hé.’
  • ‘Het was een 400 dus kan de JV niet afgewerkt worden, daarom die C51.’
  • ‘Binnen artikel 42 kan geen 30 !’
  • ‘Een 30 is beter dan een 33.’
  • ‘Horeca is 116§3, artiest is §5. Dat is een groot verschil !’
  • ‘116§1B wordt terug afgenomen bij een tewerkstelling binnen de 3 maanden bij dezelfde werkgever met een aanvraag van IGU. Had dan behoud van rechten gevraagd, hé.’
  • ‘TW met LO is altijd prefix 04.’

Heel soms belt de werkloze zelf over zijn dossier. Ik moet dan heel hard mijn best doen om het verstaanbaar uit te leggen, wat meestal wel lukt.

Maar wat ze soms vragen getuigt van hun onwetendheid over de werking van de RVA. Ze denken dat wij hun dossier persoonlijk opvolgen. Ook dat we alles weten over hun tewerkstellingen, verlofdagen, het berekenen van hun pensioen, hun ziekteperiodes, … zodat ze geen documenten meer moeten indienen want wij weten het toch beter dan zijzelf.

Een gesprek :

  • ‘Hoe komt het dat ik geen dopgeld krijg ?’
  • ‘Ik zal eens kijken.’ Ik zoek zijn dossier op en zie dat er geen indiening werd gedaan en zeg dat ook. ‘Misschien ligt het nog bij je vakbond ? Wanneer ben je daar geweest ?’
  • ‘Ik ben daar niet geweest ! Jullie zien toch direct dat ik niet meer werk en dus dopgeld nodig heb ?!?’
  • ‘Euh … Neen, zonder een indiening weten wij van niets.’
  • ‘Hoe is dat nu mogelijk ?’
  • ‘Ja, wij gaan niet op zoek naar werklozen, hé.’
  • ‘Pfff. Wat doen jullie daar dan ?’
  • ‘Indieningen afwerken … ‘

Of soms is het gewoon een verstrooidheid, zoals vandaag bij deze telefoonconversatie :

  • ‘Ik heb een brief gekregen van jullie’
  • ‘Ok. Wat staat daar in?’
  • ‘Weet ik niet meer.’
  • ‘Wie heeft die brief ondertekent ?’
  • ‘Euh … geen idee.’
  • ‘Weet je zeker dat die brief van de RVA kwam ?’
  • ‘Euh … Niet echt, neen.’
  • ‘Ik zal eens kijken in je dossier. Wat is je rijksregisternummer ?’
  • ‘Euh …’
  • ‘Dat kan je terugvinden op je identiteitskaart of SIS-kaart.’
  • ‘Ja, zeg. Dat heb ik niet bij.’
  • ‘Dan spijt het me maar ik kan je niet helpen. Zoek de brief terug, lees het nog eens goed, neem contact op met je vakbond of wie je dopgeld uitbetaalt en bel desnoods nog eens terug.’
  • ‘Dopgeld ? Maar ik ben helemaal niet werkloos ! Wat denk je wel ? Dat ik een profiteur ben ?
  • Gaat het over Loopbaanonderbreking of Tijdskrediet ?’
  • ‘Maar neen !’
  • ‘Waarom bel je dan naar de RVA ?’
  • ‘ RVA ? Oei, ik moest bij het OCMW zijn.’ En haakt in.

Ja, zo blijven we bezig, hé.

Ik vind dat allemaal niet erg en zit daar met een grote glimlach op mijn smoel, zolang ze beleefd blijven natuurlijk.

Ja, ik doe dat graag.

Advertenties