Naar Canterbury …

 

We, mijn schat en ik, zouden naar Canterbury gaan. Ik spreek van 8 jaar gelden. We hadden de overtocht, heen en terug, voor 4 personen + de auto, gratis gekregen. Ik weet niet meer van wie of misschien hadden we het gewonnen in een of andere wedstrijd.

Het was de eerste keer dat we samen naar Groot Brittannië  zouden gaan. We waren nog niet lang bij elkaar en hadden besloten niemand mee  te nemen. We wisten niet hoe we in het buitenland zouden reageren op elkaar.

De overtocht was vlekkeloos verlopen : we waren niet zeeziek geworden, hadden genoten van de zonsopgang, hadden lekker gegeten, hadden ons goed geamuseerd. Bij het uitrijden van de boot, op weg naar de douanecontrole, was ik aan het grappen of hij ‘de drugs’ wel goed had verstopt. Hij vertelde me dat hij nooit het land binnen of buiten was geraakt zonder enige moeilijkheden. Ik vond dat zeer amusant en geloofde hem maar half.

Toen het onze beurt was vroeg een vriendelijke man of we niets aan te geven hadden. Nog nalachend verzekerden we hem dat we niet illegaals bij hadden. Hij vroeg ons waar we naartoe gingen, hoelang we zouden blijven, of we daar iemand kenden, of dat we misschien iemand zouden ophalen en terug brengen naar België. We waren alleen, kenden niemand daar, zouden nog dezelfde dag alleen terug keren. We begrepen er niets van maar vonden het wel amusant. Daarna vroeg hij om de koffer van de wagen van binnen te zien. Ik stapte uit en deed de koffer open. De auto was nog maar pas in mijn bezit en was dus nog proper. Hij keek in de box waarin ik het gereedschap voor de auto opberg en vroeg me een plastieken zak open te doen. Daarin zaten mijn paardenborstels, sporen en rijhandschoenen. Ik vertelde hem dat we naar ‘het land van de paarden’ waren gekomen en ik hoopte te kunnen rijden. Toen vroeg hij ons of we de auto in hun garage wilden zetten voor verder onderzoek.  Ik had een vermoeden waar dit naartoe zou gaan en kon me bijna niet meer inhouden van lachen. Mijn schat stond daar ook schaapachtig te grijnzen.  Nadat ik de auto in die garage had gezet moesten we uitstappen. Op mijn vraag vertelden ze dat ze het voertuig volledig zouden nazien op drugs. Ik schaterde het bijna uit. Ik kon nog juist uitbrengen dat ze niets zouden vinden en dat ik verwachtte mijn auto zou terug te krijgen in dezelfde staat zoals hij er nu bij stond. Terwijl ze hun onderzoek deden moesten we ons afzijdig houden maar mochten wel in de buurt blijven. Dat we ondertussen niet mochten binnen roken, was ons minder aangenaam. Ik bleef praten tegen die mensen en vragen stellen over onze nakende rit naar hun mooie stad. Waar we moesten op letten bij het links rijden en wat we zeker moesten gaan bekijken in Canterbury. Ze bleven ons vriendelijk antwoorden. Zij deden hun werk en wij vonden het leuk. Toen we dachten dat het afgelopen was, kwam een dikke vrouw binnen die zich onder de wagen wurmde. Omdat ze er bijna niet onder kon en om niet te beginnen schaterlachen, vroeg ik haar of ze geen honden hadden die drugs konden uitsnuffelen. Nogal bitsig antwoordde ze : Nee !  Ze kwam vanonder de auto, stond met veel moeite recht en verkondigde dat we konden vertrekken. Met mijn ‘engelengezicht’ vroeg ik of ze iets gevonden hadden, of we iets moesten ondertekenen, of alles in orde was.  Ze keurde ons geen antwoord waardig maar een andere, vriendelijke, man kwam ons zeggen dat alles ok was en met een ‘have a nice stay’ konden we aanzetten. We zijn rustig weggereden en hebben ons nog net kunnen inhouden met schateren tot we uit het zicht waren. We hadden niets te verbergen dus was de hele situatie hilarisch.

De trip was zeker goed begonnen. We hebben ons goed geamuseerd, hebben veel mooie dingen gezien en hebben veel geluk gehad met het weer.

Toen we terug, voor het inschepen, op de douane stonden te wachten vroegen we ons af of we opnieuw gecontroleerd zouden worden. De glimlach kwam terug op ons gezicht want het regende nu pijpenstelen.  Er kwam een dame met een grote paraplu naar de wagen toe. Ik draaide het raam open en ze stelde ons een batterij vragen : Hadden we springstof of wapens bij ? Zouden we de boot opblazen ? Waren we van plan een aanslag te plegen ? Waren we terroristen ? Hadden we een misdrijf gepleegd terwijl we in haar land waren ? … De vragen bleven maar komen voor ik antwoord kon geven. Toen ze geen vragen meer had zeiden we volmondig : Neen !  Ik vroeg haar of er ooit iemand op een van haar vragen positief had geantwoord en ze zei : ‘Neen, maar ik moet het vragen.’ Opnieuw al schaterend zijn we de boot op gereden.

Tijdens de terugvaart zijn we de feiten eens nagegaan : mijn schat had alles geregeld op zijn naam, er waren slechts 2 personen ipv 4,  de auto stond toen nog niet op mijn naam, de verzekering wel. Niet te verwonderen dat ze ons verdachtten van smokkel of erger !