Asterix en Obelix

Asterix is de hoofdpersoon van een serie stripverhalen gemaakt door de Franse tekenaar Albert Uderzo en scenarioschrijver René Goscinny, die elkaar in Brussel leerden kennen.

De strips verhalen van een dorpje in Gallië (Bretagne), dat er in is geslaagd om de invasie door de Romeinen onder aanvoering van Julius Caesar te weerstaan met behulp van een toverdrank die de Galliërs oersterk en daardoor onoverwinnelijk maakt.

Het origineel van het eerste verhaal, Astérix le Gaulois (Asterix, de Galliër) , werd gepubliceerd op 29 oktober 1959 in het Franse stripblad Pilote. Het gelijknamige album kwam uit in 1961, in een oplage van 6000 exemplaren. Daarna volgden er nog vele.

In Nederland werden de verhalen gepubliceerd in het stripweekblad Pep. Naast de originele taal, Frans, werden de albums vertaald naar vele andere talen en dialecten waaronder Nederlands, Fries, Limburgs, Twents en het Latijn. Vanaf 2002 verschijnen de Nederlandse albums in een nieuwe vertaling, waarin een aantal eerder onvertaalde Franse namen alsnog een Nederlandstalige versie kregen. De strips werden uitgebracht in meer dan 70 landen (waaronder China, Groenland, India, Rusland en Vietnam).

Na het overlijden van Goscinny in 1977 ging Uderzo alleen door met het uitbrengen van nieuwe verhalen. Uit respect wordt de naam van Goscinny hier nog steeds op vermeld. Het laatste album met Goscinny, ‘Asterix en de Belgen’, verscheen in 1979, twee jaar na zijn dood.

Het succes van de verhalen is terug te voeren op een aantal zaken: de hilarische gevechten met de Romeinen, terugkerende elementen (running gags) zoals de piraten, anachronismen waarbij hedendaagse personen en situaties in de Oudheid worden geplaatst en de vele woordgrappen. Vooral deze laatste zijn ook in de vertaling overgenomen hoewel het origineel erg op Frankrijk is georiënteerd.

Er zijn wel enkele historische onjuistheden terug te vinden in de strips, zoals de kleding van de soldaten die niet overeenstemt met de tijd waarin Caesar leefde, maar met de keizertijd.


Belangrijke personages

  • Asterix, de hoofdfiguur, klein maar slim. De naam van Asterix komt van het teken *, de asterisk.
  • Obelix, dit is de menhirhouwer uit het dorp. Hij is Asterix’ beste vriend. Als kind viel hij per ongeluk in een ketel met toverdrank waardoor hij erg sterk is geworden. Om eventuele bijwerkingen te vermijden, verbiedt Panoramix hem toverdrank, iets wat Obelix niet begrijpt. De naam Obelix komt van het Franse woord Obèle – het kruisvormige leesteken †. Ze heten dus eigenlijk kruis en ster. Obelix verwijst tevens naar obelisk. Een bekende uitspraak van Obelix is: Rare jongens die… (Ils sont fous, ces …) waarna een nationaliteit volgt (deze uitspraak is zo bekend dat hij in het woordenboek van Van Dale staat).
  • Idefix, het hondje van Obelix (van het Franse idée fixe). Is altijd zeer verdrietig wanneer er een boom ontworteld wordt.
  • Panoramix, de druïde, van belang omdat hij de enige is die de toverdrank kan brouwen. Daarnaast kent hij ook veel andere recepten. Hij is eigenlijk de verstandigste in het dorp en de enige die nimmer meedoet aan scheld- en vechtpartijen. Saai is hij echter niet – hij kan best lachen om een goede grap. En hij heeft er geen bezwaar tegen dat de dorpsgenoten de Romeinen afranselen.
  • Heroïx, de hoofdman van het dorp. In het Frans en in de oorspronkelijke Nederlandse vertalingen heet hij Abraracourcix. Dit is een woordspeling: à bras raccourcis betekent letterlijk met verkorte armen maar figuurlijk altijd klaar om erop te slaan. Hoewel Heroïx meestal de beslissingen neemt, wordt Panoramix gezien als de wijze man van het dorp.
  • Kakofonix, de bard van het dorp, wiens gezang echter door de rest van de dorpelingen niet gewaardeerd wordt. In ‘Asterix in Indus land’ begint het spontaan te regenen als hij zingt. Daarmee wordt hij de held van een volk waarbij de moesson niet wil vallen. Als zijn stamgenoten hem de mond snoeren, is hij beledigd. Stelletje barbaren is dan ook een uitspraak die steevast terugkomt. In het Frans en in de oorspronkelijke Nederlandse vertalingen heet hij Assurancetourix. Die naam is een Franse woordspeling: Assurance à tous risques hetgeen letterlijk betekent verzekering tegen alle risico’s (in Nederland wordt dat meestal “allrisk-verzekering” genoemd), en dat figuurlijk wil zeggen dat hij degene is die overal voor moet boeten (net als die verzekering altijd alles betaalt). Kakofonix is in sommige albums ook leraar. In de jaren ’50 van de vorige eeuw waren veel Franse leraren na hun uren ook verzekeringsagent. Klassiek was bij de Galliërs een bard ook een boodschapper tussen de goden en de mensen. Het gebrek aan respect dat de Galliërs hebben voor Kakofonix, is dus luchtig op te nemen.
  • Julius Caesar, de Romeinse dictator die het niet kan verkroppen dat hij niet heel Gallië kan veroveren. In verscheidene delen is hij getrouwd met Cleopatra. Vaak is hij de vijand van de Galliërs, soms behandeld hij hen als vrienden.

Andere personages

  • Kostunrix, de visboer van het dorp. In het Frans heet hij Ordralfabétix (alfabetische volgorde). Er is in Nederland eens een parodie uitgegeven waarin hij Vistix heet. Zijn vissen zijn (vanaf De Ziener) altijd bedorven, en deze zijn dan ook altijd weer dé aanleiding om een dorpsruzie te laten uitbarsten. Zelf is hij rond en dik, hij heeft een vrouw (Forentientje, in de Franse edities Ielosubmarine naar het nummer Yellow Submarine van de Beatles) en een zoontje.
  • Hoefnix, hij is de smid. In het Frans heet hij Cétautomatix, en in oudere Nederlandse veries van het eerste deel komt hij onder deze naam even voor. Hij is het die vooral de ruzies uitlokt met Kostunrix, door opmerkingen over de vis te maken. Ook is het zijn taak Assurancetourix van het zingen af te houden. Meestal doet hij dat door hem een subtiele dreun te geven met zijn smidshamer. Meestal wordt Assurancetourix dan tot zijn middel in de grond geslagen.
  • Nestorix, hij is de oudste en waarschijnlijk ook de hitsigste van het dorp. In het Frans heet hij Agecanonix. Hij is getrouwd met een jonge bloedmooie vrouw (die minstens 4 koppen groter is dan hijzelf) en die hem zwaar onder de pantoffel heeft. Hij loopt met een kruk maar hij kan ook rennen als een kievit. Daarnaast heeft hij altijd een uitgesproken mening. Thuis zit hij meestal aan de afwas. Hij kan het niet verkroppen dat mensen hem te oud vinden voor dingen. In verschillende delen gedraagt hij zich als een jongen van 17. Als de inwoners van het dorpje het alweer niet eens kunnen worden over een beslissing, vragen ze aan Nestorix om te beslissen.
  • Bellefleur, zij is de vrouw van Heroïx. In het Frans heet ze Bonemine, een verbastering van ‘bonne mine’, goedgehumeurd. Ze is altijd bezig met het huishouden, en zo niet dan is ze aan het roddelen met de andere vrouwen uit het dorp. Altijd als het misloopt zit ze te klagen dat ze liever in Lutetia (Parijs) zou wonen, net als haar broer. Ze klaagt ook vaak over haar man, dat hij een voorbeeld moet nemen aan haar broer. Die is tenminste geslaagd in het leven. Ze noemt Heroïx ‘m’n zwijntje’.
  • De Piraten, een groep zeerovers die Asterix en Obelix steeds weer tegenkomen, een parodie op de strip Roodbaard. Bestaande uit: Roodbaard (de kapitein), Triplix (hulpje), Erix (zoon van Roodbaard), Baba (voormalig slaaf die nu het kraaiennest bemant en die de R niet kan uitspreken, B”””””, het wate’ is koud) en nog een heel ander stel bijfiguren. Als de Galliërs een zeereis maken (en zelfs als ze even oversteken naar een eilandje in de buurt) komen ze steevast de piraten tegen, en steeds heeft dat tot gevolg dat het piratenschip ten onder gaat. Alleen in ‘De koperen ketel’ komen de piraten ongeschonden (en zelfs rijker) uit de strijd. En tijdens de reis van Nicae naar Massilia (per roeiboot) in ‘De ronde van Gallië’ komen de piraten bij uitzondering niet ter sprake.
  • Walhalla (betekenis: hemel), zij is zogezegd de mooiste vrouw uit de strip. In het Frans heet ze Falbala. Ze komt van oorsprong uit het dorp en is later in Condatum gaan studeren. Obelix – en later ook Asterix – hebben een oogje op haar, hoewel ze tijdens een verhaal trouwt met Tragicomix. Met hem woont ze in Condatum. Obelix heeft het daar nogal moeilijk mee. Zodra hij Walhalla tegenkomt is hij van slag.
  • Tragicomix, de minnaar van Walhalla. Een lange, knappe man, die ook sterk en slim is. In Asterix in het eerste legioen werd hij gedwongen naar Afrika te gaan om daar als soldaat voor Caesar te vechten. Daar wordt hij bevrijd door Asterix en Obelix.
  • Cleopatra, heerseres van Egypte. Zij wordt in Asterix en Cleopatra de vrouw van Julius Caesar. Historisch gezien is dit waarschijnlijk incorrect. Ze woont in opvolgende albums samen met Caesar in Rome, en later in Alexandrië. Ze komt enkele keren in de strips voor, en krijgt samen met Caesar een zoon. Van die zoon (in De zoon van Asterix) wordt gezegd dat hij later als Ptolemaeus over Egypte zal regeren, wat historisch niet klopt.
  • Pompeius komt enkele keren voor in de strip als de gezworen vijand van Caesar die het hem zo moeilijk mogelijk wil maken (zie: Asterix en Latraviata).

Voorkomen van bestaande personen

Zoals in veel strips zijn in Asterix karakters getekend aan de hand van bestaande personen. Deze spelen geen hoofdrol zoals Julius Caesar en Cleopatra. Ook worden bekende kunstwerken verwerkt in de albums, zoals De Anatomische Les van Rembrandt.

Voorkomende personen en kunstwerken zijn:

Trivia

  • De eerste Franse satelliet (gelanceerd op 26 november 1965), officieel A1 genoemd, kreeg van ruimtevaartdeskundigen het koosnaampje Astérix mee.
  • In Parijs is er sinds de jaren ’80 een Asterix en Obelix-pretpark, genaamd Parc Astérix.
  • De lancering van het 33ste Asterix-album (Het Geheime Wapen) ging gepaard met een nooit geziene reclamecampagne. Zo droegen twee vliegtuigen van SN Brussels Airlines afbeeldingen van Astérix & Obelix en werd op 23 augustus het volledige Astérix-dorp nagebouwd op de Grote Markt van Brussel. Manneken Pis was als Obelix verkleed. In de Washuisstraat werd een muurschildering en in de hal van het Brusselse Stripmuseum een standbeeld van Astérix ingehuldigd. In het museum kon men ook als enige door de Belgische Post uitgebrachte Astérix postzegels voorverkopen.
  • Het Gallische dorpje is gebaseerd op het Franse vissersdorpje Erquy (Bretagne), dat de titel De geboorteplaats van Asterix draagt.
  • In de jaren 1990 maakte een Britse krant melding van een opgraving in Bretagne, waar een Keltisch dorp was opgegraven, waarvan de ruïnes nog zo goed intact waren dat er geen twijfel bestond: dit was precies het dorp van Asterix! Die editie verscheen echter wel op 1 april.


Gezegdes in het Latijn

In de regelmatige confrontaties van de Galliers met de Romeinen worden vaak Latijnse uitdrukkingen gebezigd van vooraanstaande Romeinse personen. Enkelen zijn uit het Nieuwe Testament afkomstig.

  • Alea iacta est = De teerling is geworpen.
  • Ave Caesar morituri te salutant! = Gegroet Casesar!, zij die gaan sterven groeten u. Of van (Suetonius Paulinus, de legeraanvoerder) of van Gaius Suetonius Tranquillus, de geschiedschrijver)
  • Ave Caesar lucratori te salutant! = Gegroet Caesar, zij die zich gaan verrijken groeten u.
  • Maior e longinquo reverentia = Van verre is de eerbied groter.
  • Mens sana in corpore sano = Een gezonde ziel in een gezond lichaam. (Juvenalis)
  • Non licet omnibus adire Corinthum: Niet iedereen valt het ten deel naar Korinthe te gaan. (Horatius)
  • Non omnia possumus omnes = Ieder kan niet alles. (Virgilius)
  • Nunc est bibendum = Nu is het tijd om te drinken. (Horatius)
  • O tempora! o mores! = O tijden! O zeden! (Cicero)
  • Panem et circenses = Brood en spelen. (Juvenalis)
  • Quis, quid, ubi, quibus, auxiliis, cur, quomodo, quando? = Wie, wat, waar, op welke wijze, waarom, hoe en wanneer?
  • Quo vadis? = Waar gaat gij heen? (Petrus)
  • Veritas odium parit = De waarheid maakt vijanden.


Verwijzingen naar de werkelijkheid

In de boeken van Asterix wordt regelmatig een verwijzing gemaakt naar een werkelijke gebeurtenis. Sommige zijn heel subtiel verstopt, anderen zijn weer duidelijk te lezen. Hier volgt een aantal van deze verwijzingen.

  • In “Asterix en Cleopatra” beklimt Obelix de Sfinx. Wanneer hij bijna boven is, breekt de neus af, omdat hij erop staat. Daarom heeft de Sfinx in Egypte geen neus meer. In hetzelfde boek zegt Asterix tegen Cleopatra, dat ze gerust weer een beroep op de Galliërs mag doen als ze weer hulp nodig heeft om iets te bouwen, bijvoorbeeld een kanaal van de Middellandse Zee naar de Rode Zee. Dit verwijst naar de bouw van het Suezkanaal door een Frans bedrijf in 1869.
  • In “Asterix in Hispania” is Asterix de eerste stierenvechter. In de arena raapt hij een rode cape op die van de tribune is gevallen. De stier die achter hem aan zit reageert erop, en Asterix verslaat de stier. In ditzelfde boek vraagt Kostunrix aan Obelix een aantal menhirs om een stukje geërfd land aan te kleden. Dit stukje land is het huidige Carnac.
  • In “Asterix en de Ronde van Gallia” reist Obelix met een grote gele zak op zijn rug, alsof hij de Gele Trui van de Tour de France draagt. Ook zit er op de achterkant van de zak een vierkant vlak, waar het nummer van de renner op zou staan.
  • In “Asterix en de Britten” spreekt Notax over een tunnel die ze van Gallia naar Britannia willen leggen. Ze zijn er al mee bezig, maar het zal nog wel even duren. Op het moment dat het boek geschreven werd, was de huidige Kanaaltunnel nog niet in aanbouw, maar lag wel op de tekentafel. Ook krijgt Asterix van Panoramix een kruid mee. Later in het verhaal, wanneer Asterix en Obelix bij de Britten zijn, legt hij de kruiden in een ketel water. Het geeft de Britten kracht en hun stamhoofd zegt er een nationale drank van te maken. Later hoort Asterix dat het kruid thee heet.
  • In “De Grote Oversteek”, waarin Asterix en Obelix naar Amerika reizen, staat Asterix te seinen naar een schip. Hij doet dit door op een stapel stenen te staan. Hij heeft in zijn ene hand een fakkel en houdt onder zijn andere een boek. Het Vrijheidsbeeld dat hij uitbeeldt, was in 1885 door de Fransen aan de Amerikanen gegeven. Dit vindt plaats op een klein eiland dat vlakbij een groot eiland is, waar ze eerst vandaan kwamen (New York). Eerder in dit album is er een situatie waarin de ossenkarren uit Lutetia een stiptheidsactie houden, als protest tegen de hoge hooiprijzen. Dit is een verwijzing van de oliecrisis van 1974.
  • Er worden ook verwijzingen gemaakt naar de moord op Caesar. In “Asterix en de Gladiatoren” en “De Zoon van Asterix” spreekt Caesar Brutus aan met ‘Ook gij, Brutus’ de woorden die Caesar gesproken schijnt te hebben toen Brutus hem neerstak. In “De Odyssee van Asterix” zegt Caesar tegen Brutus dat hij zijn mes weg moet doen, voordat hij er iemand mee verwondt. Brutus denkt op een gegeven moment in zichzelf: “Ik word gek van zijn woordspelingen. Het komt nog een keer zover dat ik…”
  • In “Asterix en het 1e Legioen” wordt, middels de samenstelling, een verwijzing gemaakt naar het Franse Vreemdelingenlegioen.
  • In “Asterix en de Gladiatoren” verwijst de wagenmennersrace, overduidelijk naar de beroemde scéne uit de film Ben Hur uit 1959.
  • In “Asterix en Cleopatra” spreekt Panoramix de woorden ‘twintig eeuwen zien op je neer’. Dit komt van Napoleon Bonaparte, die zijn leger toesprak met: ‘veertig eeuwen zien op u neer’.
  • In “De Helvetiërs” wordt een verwijzing gemaakt naar een vergadering van de Verenigde Naties in Genéve. In hetzelfde boek komt ook nog een Zurix Bank voor. In Zürich hebben alle beroemde Zwitserse banken een vestiging. Waar Zwitserland ook beroemd om is, is de oprichting van het Rode Kruis en hun medische hulp aan oorlogsslachtoffers. Dat komt naar voren wanneer een Helvetiër een Romein neerslaat en hem vervolgens verbindt.
  • In “De Odyssee van Asterix” is de geheim agent Nulnulnix een verwijzing naar de Schotse acteur Sean Connery die de rol van James Bond (007) vertolkte. Ook aan de Bondgadgets is gedacht, en ook aan het drankje dat hij drinkt.
  • Het citaat van Julius Caesar dat Abraracourcix verschrikkelijk opwindt, “Van alle Galliërs zijn de Belgen het dapperst”, komt uit De bello gallico.
  • In “Asterix en de Belgen” suggereert een Belg aan zijn vrouw dat ze eens moest proberen om aardappelen in reepjes te snijden en in en pot hete olie te gooien. Frieten bakken dus. Ook in “De Goten” worden frieten gebakken bij een wedstrijd tussen druïden.
  • In “Asterix en de Belgen” hebben de Belgen een “querelle de langues” (taalstrijd), maar de Franse versie hanteert de woordspeling “langue” als tong: is het een varkenstong of een rundstong?

Albert Uderzo (25 april 1927) is een Frans striptekenaar en stripschrijver.

Hij is geboren in Fismes (departement Marne, Frankrijk). Na zijn lagere schooltijd is hij al zo bezeten van tekenen en tekenfilms dat hij in 1940 naar het blad Junior toestapt en daar gedurende een jaar een soort opleiding volgt in het schilderen met waterverf, maar ook in spelling en stijl. Door de oorlogsomstandigheden trekt hij in 1941 naar Bretagne en werkt hij daar als boerenknecht en later bij zijn vader als meubelmaker. Het tekenen is hij vergeten tot hij in 1945, tegen de zin van zijn vader, meedoet aan een wedstrijd voor striptekenaars van Editions du Chêne en in 1946 publiceerde deze uitgeverij zijn eerste professionele strip Les aventures de Clopinard. In diezelfde tijd geneest hij van zijn tekenfilmaspiraties door als animator werkzaam te zijn aan de tekenfilm Clic-Clac (1945-46).

Het is 1946 en hij wordt een van de eerste tekenaars van het blad O.K. Uit die periode dateren Arys Buck (1946-47), een serie rond een onoverwinnelijke Galliër en zo misschien de voorloper van Asterix, Price Rollin (1947), de zoon van Arys Buck, en Belloy L’Invulnerable (1947-48). Na opheffing van O.K. in het begin van de vijftiger jaren tekent Uderzo voor het blad Bravo naar het Amerikaanse voorbeeld Captaine Marcel Junior en werkt hij 1950-51 als verslaggever-tekenaar voor de kranten France-Dimanche en France-Soir. In 1955 vindt de historische ontmoeting plaats bij International Press met de net uit de Verenigde Staten teruggekeerde René Goscinny. Hun samenwerking begint met de strip Luc Junior in La Libre Junior (tot 1957).
Al in die tijd ontwerpen ze speciaal voor Amerika de strip Hoempa-Pa rond een indiaan, die met zijn oude tradities in het moderne Amerika optreedt, maar Dupuis ziet niets in zo’n reeks. Intussen start Uderzo (met Charlier) een nieuwe serie Belloy-verhalen in Pistollin (1955-58), later in La Libre Junior en in Sprint verschijnt van hem Ton en Nelly (1955-56). De tweede strip met René Goscinny als scenaris wordt Benjamin et Bejamine (1958) onder andere in Top-Magazine. Intussen zijn Uderzo en Goscinny bij Dupuis weggegaan en komt Uderzo via reclamestrips en een paar korte verhaaltjes als Bolleke en Snolleke in 1957 terecht bij het weekblad Kuifje. Met zijn vaste compagnon begint hij in 1958 daarin dan eindelijk de reeks Hoempa-Pa, maar nu met een wat andere basis zodat het verhaal speelt tijdens de kolonisatie van Amerika. Van deze reeks verschijnen tot 1962 een vijftal episodes. Intussen raakt Uderzo en Goscinny betrokken bij het in 1959 opgerichte blad Pilote, waarvoor hij met scenario’s van Charlier de vervolgreeks Tanguy en Laverdure gaat tekenen. Met deze vliegtuigstrip in realistische stijl voelt Uderzo zich op den duur toch niet zo gelukkig; de vliegtuigen hebben zijn interesse wel, maar de tekenstijl sluit niet aan bij zijn karikaturale aspiraties en na pogingen met verschillende andere tekenaars, zoals Gir, wordt de strip vanaf 1966 door Jijé voortgezet.

In 1959 werd hij de artistieke directeur van het nieuwe Franse striptijdschrift Pilote, waarin hij Asterix (samen met scenarist René Goscinny) en Tanguy et Laverdure (samen met Jean-Michel Charlier) tekende. Door het grote succes van Asterix ging hij zich vanaf 1967 volledig op het tekenen van die reeks toeleggen. Samen met René Goscinny maakte hij ook de serie Oumpah Pah le Peau-Rouge (Oumpah-Pah de Roodhuid), die vanaf 1958 verscheen in het Belgische stripweekblad Kuifje, en Jehan Pistolet (Johan Pikbroek). Bij de Nederlandse lintjesregen van 2006 is hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Deze onderscheiding werd hem uitgereikt op dinsdag 6 maart 2007 in de Ambtswoning van de Nederlandse Ambassadeur in Parijs. Naast zijn verdiensten voor de stripwereld werd Uderzo gelauwerd om zijn betekenis voor het historisch en klassiek onderwijs in Nederland, zijn bijdrage aan de Europese eenwording en het onderling respect voor andere culturen.

René Goscinny (14 augustus 1926 – 5 november 1977) was een Franse schrijver, humorist en scenarist van stripverhalen.

Goscinny werd geboren te Parijs als tweede zoon van Stanislas “Simkha” Goscinny, een chemisch ingenieur uit Warschau, en Anna Beresniak Goscinny uit het dorpje Chodorkow (Oekraïne) die elkaar in Parijs hadden ontmoet. In 1928 verhuisde het gezin naar Buenos Aires omdat Goscinny senior daar een baan had gekregen.

Zijn jonge jaren bracht Goscinny door in Argentinië waar hij een korte carrière als tekenaar beleefde. In december 1943 overleed zijn vader. Goscinny had enkele baantjes, onder andere als leerling-accountant en als tekenaar. In 1945 verhuisde hij met zijn moeder naar zijn oom Boris in de Verenigde Staten. In 1946 keerde hij terug naar Frankrijk om zijn militaire dienstplicht te vervullen bij het 141e bataljon van de Alpenjagers. Hij werd bevorderd tot korporaal en werd de illustrator van zijn regiment. Voor het leger maakte hij illustraties en posters. In 1947 illustreerde hij een boek, en vervolgens keerde hij terug naar New York. Er volgde een moeilijke periode, zonder werk. In 1948 begon hij in een kleine studio te werken. Hier raakte Goscinny bevriend met mensen als Will Elder, Jack Davis en Harvey Kurtzman, die later bekend zouden worden van hun werk voor Mad magazine. Na een art-directorschap van een kinderboekenuitgeverij trekt de ondernemende Goscinny in 1955 naar Europa, daartoe aangezet door Gillain (Jijé) en Morris die hij in 1948-49 had leren kennen op hun legendarische oversteek naar Amerika (Franquin was inmiddels naar België teruggekeerd). Vastbesloten met strips verder zijn kost te verdienen stapt Goscinny in Brussel met 19 platen van Dick Dicks binnen bij World Press, een bureau dat veel Amerikaans materiaal leverde aan Dupuis. In 1949 ontmoette hij er ook de tekenaar Maurice De Bevere (Morris). Kort daarop verhuisde Goscinny terug naar Parijs.

In 1951 ontmoette hij daar de tekenaar Albert Uderzo met wie hij enkele stripverhalen-series maakte, waaronder Oumpah-Pah, dat in het tijdschrift Tintin verscheen tussen 1958 en 1962). Vanaf 1959 begon hun strip Asterix te verschijnen in stripblad Pilote. Inmiddels werkt Goscinny als scenarist op talloze fronten en is de geestelijke vader van heel wat producten van tekenaars als Franquin (Ton en Tinneke), Tibet, Bob de Moor, Maréchal, Macherot Attanasio, Berck en was hij in 1955 ook verhalen gaan schrijven voor de strip Lucky Luke die werd getekend door Morris. De samenwerking met zowel Morris als Uderzo, zou duren tot de dood van Goscinny in 1977.

Als redacteur (vanaf 1959) en later hoofdredacteur (van 1963 tot 1974) van Pilote maakte Goscinny dit blad tot een stripblad voor volwassenen met stripverhalen die inventiever en vernieuwender waren dan tot dan toe gebruikelijk in stripbladen voor kinderen.

Goscinny werkte als scenarist ook samen Jean Tabary (Grootvizier Iznogoedt, 1962-1977) en Gotlib (Les dingodossiers, 1965-1967). Hij schreef onder het pseudoniem Agostini een serie kinderboeken, Le Petit Nicolas (1956-1964), geïllustreerd door Jean-Jacques Sempé.

Goscinny overleed op 51-jarige leeftijd aan een hartaanval tijdens een inspanningstest in een ziekenhuis in Parijs.

Advertenties

2 thoughts on “Asterix en Obelix

Laat een reactie achter op Anonymous Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s